De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.2:5.8.2 Intermezzo: zaak Bolland/Pen (1915)
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.2
5.8.2 Intermezzo: zaak Bolland/Pen (1915)
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949393:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J.P. Fockema Andreae e.a., De Utrechtsche universiteit 1815-1936, Utrecht: N.V. A, Oosthoek’s Uitgevers maatschappij 1936, p. 55 en 60.
Pen 1917 en Otterspeer 1996.
Otterspeer 1996, p. 486.
De Ranitz 1938, p. 104-105.
Er was destijds nog geen Minister van Onderwijs.
Pen 1917, p. 17.
De Ranitz 1938, p. 104.
Pen 1917, p. 17.
Otterspeer 1996, p. 487.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Conflicten tussen examinatoren en examinandi zijn vermoedelijk van alle tijden. Vaak zal een dergelijk conflict niet gejuridiseerd worden en wordt het conflict binnen de instelling al dan niet opgelost. In het hoger onderwijs zijn een aantal voorbeelden van dergelijke conflicten bekend die teruggaan tot 1856. Helaas zijn deze zaken niet uitgebreid gedocumenteerd en wordt niet duidelijk welke visie er destijds was op de relatie tussen de examinator en de examinandus.1 Buiten het hoger onderwijs zijn voorbeelden van dergelijke oude zaken helaas niet bekend. In 1915 werd een dergelijk conflict wel gejuridiseerd en zelfs uitgebreid gedocumenteerd vanuit verschillende hoeken. Zo schreef onder andere de betreffende promovendus er een boekje over en ging de biograaf van de promotor ook in op het conflict.2
Het betreffende conflict ontstond tussen promotor Bolland en promovendus Pen. Bolland was een hoogleraar filosofie, die zich voornamelijk bezig hield met Hegel. Hij stond erom bekend dat vanwege zijn strenge eisen promovendi bij hem eigenlijk nooit promoveerden.3 Pen kwam erg dichtbij. Hij spande zich in eerste instantie in om de verhouding met zijn promotor goed te houden. Het onderwerp van zijn proefschrift ondermijnde deze inspanning echter. In zijn proefschrift brak hij de ‘wijsheid’ van Bolland af, ten faveure van de ‘wetenschap’ van Hegel. Bolland weigerde Pen vervolgens te laten promoveren. Toen Pen dit hoorde, beschuldigde hij Bolland in De nieuwe Amsterdammer van ‘Landverraad’ en noemde hij zijn promotor een ‘in studeerkamerlucht vegeteerende’. Bolland weigerde Pen tegemoet te komen. De bevoegdheid om een promovendus te laten promoveren lag echter formeel niet bij hem. Deze bevoegdheid kwam destijds toe aan de faculteit, de promovendus diende wel voorgedragen te worden voor de promotie door de promotor. Een beroep op de faculteit kon Pen echter niet baten. Bolland werd vanwege zijn anciënniteit decaan, en daarmee voorzitter van de faculteit. Hij kon dan ook via die weg de promotie van Pen tegenhouden.
Het destijds geldende Academisch Statuut kende geen mogelijkheid om in beroep te gaan tegen een beslissing van de faculteit.4 Pen wendde zich daarom tot de Minister van Binnenlandsche Zaken.5 Die schrijft in antwoord op het verzoek van Pen dat het aan de door de faculteit aangewezen promotor is om te bepalen of het proefschrift voldoende is om te promoveren.6 Tegen diens beslissing is beroep bij een hogere autoriteit niet opengesteld, voor de regering is er daarom geen mogelijkheid om tussenbeide te komen. Hieruit volgt volgens De Ranitz dat de faculteit soeverein is bij de beoordeling van een proefschrift omdat het gaat om een zuiver wetenschappelijke behandeling.7 Als de minister in deze beoordeling zou treden, zou dit een schending van de vrijheid van wetenschap kunnen betekenen. Voor Pen zat er intussen niets anders op dan zijn proefschrift, zonder promotie, te publiceren, hij had het werk reeds naar de drukker gestuurd.8 Bolland maakte zich in de loop der jaren als decaan niet populair bij de faculteit.9 Na het overlijden van Bolland in 1922 was volgens Otterspeer de wraak van de faculteit zoet, toen ze Pen alsnog toestemming gaf om (met een andere promotor) te promoveren.
Uit deze casus blijkt dat in het hoger onderwijs al ruim voor de totstandkoming van een algemene wet over het bestuursrecht, het idee bestond dat de examinator soeverein is bij de beoordeling van de examinandus. Deze bijzondere positie voor de examinator wordt afgeleid uit de vrijheid van wetenschap en is daardoor niet direct toe te passen op de examens van andere onderwijssectoren.