De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.12.2.6:5.12.2.6 Conclusie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.12.2.6
5.12.2.6 Conclusie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949594:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur wordt aangenomen dat er algemene beginselen van behoorlijke examinering zijn. Deze beginselen bestaan, met dien verstande dat het de algemene beginselen van bestuur betreffen die nader zijn ingevuld met datgene dat relevant is bij examinering. In de praktijk speelt voornamelijk het zorgvuldigheidsbeginsel een rol bij examenbeslissingen. Zowel de burgerlijke als bestuursrechter hanteren dit beginsel als voornaamste toetssteen bij geschillen over examenbeslissingen. Cohen schreef terecht dat ook het motiveringsbeginsel van belang is, maar dat dit in de praktijk niet uit de verf kan komen gezien de ruime beoordelingsvrijheid van de examinator en het beperkte toetsingskader van de rechter. Een rechter kan dan ook niet treden in de inhoud van de motivering waarom een beoordeling op een bepaalde wijze is uitgevoerd, behalve als hierover eisen van procedurele aard zijn gesteld. Ten slotte kunnen het gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het verbod op détournement de pouvoir in een enkel geval een rol spelen. In de praktijk komt dit echter nauwelijks voor.