Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.4.2
4.2 Bronnen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij zij opgemerkt dat wetgeving tot stand komt door samenwerking van de regering en de Staten-Generaal. Het is de vraag of de opvatting die een Minister van (Veiligheid en) Justitie in een memorie van toelichting heeft gegeven ook de opvatting van ‘de wetgever’ is. Stemmen de Tweede en Eerste Kamer in met een wetsvoorstel, dan hoeft dit immers niet te betekenen dat zij ook instemmen met de tekst van de memorie van toelichting. Zie over problemen met betrekking tot wetshistorische interpretatie Borgers 2003. Voor de vaststelling van artikel 6 lid 3 sub d EVRM zou kunnen worden geput uit de traveaux préparatoires. Het EHRM heeft deze documenten echter nooit expliciet ten grondslag gelegd aan de uitleg van de bepaling. O’Brian 2005, p. 500 verklaart dit doordat het EHRM van opvatting is dat het EHRM een living instrument moet zijn, dat moet worden geïnterpreteerd in het licht van de huidige omstandigheden.
Zie bijvoorbeeld HR 12 mei 2009, NJ 2009, 239, r.o. 3.4.
In § 3.2.1 van hoofdstuk 8 zal ik aangeven of codificatie wat mij betreft wenselijk is.
Voornamelijk in de artikelen 226a-226f, 344a en 360 Sv.
Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, Stcrt. 2010, 19123 (2010A026).
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk).
Algemeen
Voor het kunnen beantwoorden van de hiervoor genoemde vragen, is het noodzakelijk om de regels en uitgangspunten te achterhalen die van belang zijn voor de beoordeling of het ondervragingsrecht is gerespecteerd en om te onderzoeken wat de betekenis daarvan is. Ik heb hiertoe gebruik gemaakt van Nederlandse wetgeving en de parlementaire geschiedenis daarvan, jurisprudentie en literatuur.
Wetgeving en parlementaire geschiedenis
De regels van het nationale strafrecht die betrekking hebben op het afwijzen van getuigenverzoeken, zijn vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering. Voor het vaststellen van de betekenis van deze regels kan soms worden aangesloten bij de parlementaire geschiedenis.1 Dat is een methode die de Hoge Raad regelmatig hanteert ter vaststelling van de betekenis van een wettelijke regel.2 De betekenis van wetgeving voor dit onderzoek moet worden gerelativeerd: de meeste regels en uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling of het ondervragingsrecht ten aanzien van een nietanonieme getuige is geëerbiedigd, zijn in de jurisprudentie van het ehrm en de Hoge Raad tot ontwikkeling gekomen en zijn niet gecodificeerd.3 Hier is overigens een opmerkelijk verschil vast te stellen met de regels rond anonieme getuigen, die wel in het Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen.4
Met betrekking tot een aantal bijzondere situaties hanteert het openbaar ministerie aanwijzingen. Hierin worden regels gegeven waaraan onder andere de politie zich in beginsel moet houden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de regel dat kinderen van wie wordt vermoed dat zij het slachtoffer van een zedendelict zijn, in een speciale kindvriendelijke studio worden gehoord.5 De betekenis van de aanwijzingen die van belang zijn voor het ondervragingsrecht, is echter vrij gering, aangezien de positie van de verdediging daarin nauwelijks is geregeld.
Jurisprudentie
Verreweg de belangrijkste rechtsbron bij dit onderzoek is jurisprudentie. De betekenis van de wettelijke regels zal voornamelijk worden vastgesteld aan de hand van arresten van de Hoge Raad. Veel aspecten van het ondervragingsrecht zijn niet bij wet geregeld. Voor die aspecten is jurisprudentie de enige rechtsbron. Ten aanzien van de betekenis van artikel 6 lid 3 sub d evrm is de jurisprudentie van het ehrm leidend. Omdat analyse van jurisprudentie de belangrijkste onderzoeksmethode is geweest die ik heb gehanteerd, zal ik in § 4.3 uiteenzetten op welke wijze ik het jurisprudentieonderzoek heb uitgevoerd.
Literatuur
Bij de interpretatie van wetgeving en rechterlijke uitspraken kan soms gebruik worden gemaakt van opvattingen van rechtsgeleerde auteurs. Over het ondervragingsrecht is – wanneer de literatuur over anonieme getuigen buiten beschouwing wordt gelaten – betrekkelijk weinig geschreven in Nederland. Het ondervragingsrecht heeft vooral aandacht gekregen van advocaten-generaal bij de Hoge Raad en van annotatoren van arresten. Voor zover Nederlandse of buitenlandse literatuur betrekking heeft op het evrm-recht, is deze dikwijls achterhaald door recente ontwikkelingen in de Straatsburgse rechtspraak. Literatuur van na het baanbrekende arrest Al-Khawaja & Tahery van december 2011 is schaars.6