Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.5.3.3.2:4.5.3.3.2 Lajvér-arrest
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.5.3.3.2
4.5.3.3.2 Lajvér-arrest
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291440:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 2 juni 2016, zaak C-263/15, V-N 2016/31.18 (Lajvér).
R.o. 12.
R.o. 17.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak Lajvér gaat het om twee niet-winstbeogende vennootschappen die slechts bijkomstig inkomsten kunnen verwerven. Deze vennootschappen zijn opgericht om cultuurtechnische bouwwerken – een drainagesysteem, een waterreservoir en een put voor alluviale afzettingen – op aan hun vennoten toebehorende grond aan te leggen en te exploiteren. De vennootschappen beschikken over de noodzakelijke vergunningen en de toestemming van de grondeigenaars (lees: de vennoten) voor de aanleg van deze bouwwerken. De voor de aanleg van de bouwwerken noodzakelijke werkzaamheden zijn bekostigd met middelen van de Hongaarse staat en de EU. Bovendien is afgesproken dat dat vennootschappen gedurende acht jaar een geringe vergoeding aan de eigenaars in rekening brengen voor de exploitatie van deze bouwwerken. Uit de feiten in deze zaak is op te maken dat de grond waarop de bouwwerken zijn aangelegd deels behoren bij het openbare wegennet, en dus door iedereen worden gebruikt, en deels privé-eigendom betreft. De exploitatie van de bouwwerken, waarvoor de vergoeding wordt berekend, bestaat in het onderhoud van de betonwegen en de omgeving ervan en de afwatering. Die werkzaamheden vallen onder het beheer van de openbare weg en zijn een bij wet opgelegde plicht.
Uit het Lajvér-arrest kan niet zonneklaar worden afgeleid wat het Hof van Justitie doet twijfelen aan het rechtstreekse verband tussen de lage vergoeding en de exploitatie van de bouwwerken.1 De uitleg dat het Hof van Justitie de mogelijkheid openhoudt dat de geringe vergoeding voor de exploitatie in wezen slechts rechtstreeks verband houdt met het onderhoud en niet (mede) met de aanleg, komt mij het meest waarschijnlijk voor. De aanleg lijkt immers volledig met nationaal en Europees overheidsgeld te zijn gefinancierd.2 Daarnaast vraagt de verwijzende rechter zich af of er een rechtstreeks verband bestaat tussen het onderhoud van de cultuurtechnische bouwwerken die dankzij de investeringen zijn uitgevoerd.3 Met die investeringen kan alleen maar op de investeringen in de aanleg van de cultuurtechnische bouwwerken zijn gedoeld, aangezien in geschil is of de vennootschappen recht hebben op teruggaaf van de btw op de aanlegkosten. Stelt de verwijzende rechter vast dat de ontvangen vergoeding slechts de tegenprestatie is voor het onderhoud en niet (mede) voor het gebruik van de cultuurtechnische bouwwerken, dan is het naar mijn mening logisch dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de exploitatie van de cultuurtechnische bouwwerken en de overeengekomen vergoeding. Het is echter niet vanzelfsprekend om in alle gevallen waarin het bedrag dat als tegenprestatie is of wordt ontvangen slechts ten dele de verrichte vastgoedtransactie vergoedt aan te nemen dat geen sprake is van een vastgoedtransactie onder bezwarende titel. Een uitstapje naar het Nederlandse civiele recht kan dit ophelderen.