Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.10:2.10 Samenvatting en conclusie
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.10
2.10 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196912:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[89] In dit hoofdstuk zijn de hoofdlijnen van het enquêterecht geschetst. De doeleinden van het enquêterecht brengen de praktische aard van het enquêterecht tot uitdrukking. In het enquêterecht staat niet geschillenbeslechting, maar het functioneren van rechtspersonen centraal. Deze speciale aard van het enquêterecht heeft zijn weerslag op de procedure. Enquêteverzoeken worden spoedeisend geacht. Besproken is hoe de enquêterechter beslist over een enquêteverzoek (2.6). Hij stelt vast of het verzoek een rechtspersoon betreft, die onder de wettelijke enquêteregeling valt. Hij toetst aan de norm, dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. Dat wettelijke criterium is niet concreet. Als de rechter van oordeel is dat er gegronde redenen voor twijfel zijn, hoeft hij nog geen onderzoek te bevelen. Dat is zijn discretionaire bevoegdheid. Aan de beslissing om al dan niet een onderzoek in te stellen dient een belangenafweging vooraf te gaan. Daarin worden de bezwarende kanten van het onderzoek voor de rechtspersoon betrokken en spelen belangen van andere betrokkenen een rol. Bij enquêterechtelijke beslissingen staat het belang van de rechtspersoon voorop. Er is ingegaan op een effect van het primaat van het belang van de rechtspersoon: de partijautonomie wijkt voor dat belang. Dat komt tot uiting in de beslisruimte van de rechter. Dat is inherent aan de wettelijke regeling. De Ondernemingskamer is niet gebonden aan de grenzen van het verzoek. Ze kan een onderzoek bevelen van een andere omvang, aard en periode dan de verzoeker voor ogen stond. De in de voorfase naar voren gebrachte bezwaren bepalen wel de grenzen van de rechtsstrijd. Er moet een nauw verband bestaan tussen die bezwaren, de gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid op grond waarvan het onderzoek wordt bevolen, en de bevindingen van het onderzoek waarop het oordeel wanbeleid stoelt. Er zijn alvast een paar karakteristieken aangestipt van de onmiddellijke voorzieningen. In het volgende hoofdstuk zullen deze uitvoeriger worden besproken.