Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.3
2.3 Doeleinden van het enquêterecht
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196976:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het begrip wanbeleid is niet vast omschreven. Voor voorbeelden zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/790.
HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1233 (Ogem). De overweging luidt: “dat de wetgever (…) als doeleinden van een enquête niet slechts heeft beschouwd de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan”.
Eikelboom 2017, p. 3.3.1.
HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240 (Tekst Lite). R.o. 4.1.1 houdt in: “Bij zodanig onderzoek zal de beoordeling van de verantwoordelijkheid van een orgaan van de rechtspersoon niet altijd los gezien kunnen worden van de individuele verantwoordelijkheid van de personen, die het orgaan uitmaken. In zijn algemeenheid kan dan ook niet gezegd worden dat een enquête zich niet kan uitstrekken tot een onderzoek naar het functioneren van de personen die de rechtspersoon doen optreden”.
Willems 2000, p. 37.
De enquêteprocedure zou volgens hem kunnen functioneren “ten behoeve van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen de onderneming van de rechtspersoon, van vaststelling van verantwoordelijkheden, van het doen nakomen van civielrechtelijke overeenkomsten of het uitoefenen van rechten of het vernietigen van overeenkomsten, van het doen nakomen van informatieplichten, van preventie en van rechtsvorming, van het op peil brengen van de faillissementskas, van het afdwingen van medezeggenschapsrechten en van al datgene wat verder maar zou kunnen worden bedacht of van wat zich in de toekomst verder zal kunnen aandienen” (Willems 2000, p. 38).
HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465 (Unilever); HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516 (KPNQwest), r.o. 3.2.3. Voor het overige zijn in de KPNQwest-beschikking de doeleinden van het enquêterecht, zoals opgesomd in de Ogembeschikking, herhaald.
Storm merkt op dat daarbij wordt verwezen naar “de strekking van het enquêterecht” (Storm 2018, 2.1).
Eikelboom wijst op een ander praktisch element: hij noemt het wezen van de enquêteprocedure een praktische manier om te procederen over interne rechtsverhoudingen van de rechtspersoon (Eikelboom 2017, p. 2.2.6).
Zie ook Eikelboom, die opmerkt dat het bij toepassing van het enquêterecht aankomt op de economische werkelijkheid (Eikelboom 2017, p. 2.2.1).
Vgl. A-G Timmerman: “Het enquêterecht beoogt de beginselen van behoorlijk ondernemerschap te bevorderen” (concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2005:AU2465, bij HR 18 november 2005 (Unilever), 4.6).
Op die datum is de Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Stb. 2012, 274) in werking getreden. Op 8 september 2011 was daartoe Wetsvoorstel 32887 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête naar de Tweede Kamer der Staten Generaal gestuurd.
Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 1 (MvT). Dat neemt niet weg dat veelvuldig vermogensrechtelijke belangen worden nagestreefd met enquêteprocedures. Zie hierover De Bie Leuveling Tjeenk 2016, p. 29.
Hermans 2003, p. 116; Hermans 2017, p. 1.3.
Van Solinge 2017; HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:905; ARO 2014/100 (Slotervaartziekenhuis).
Geerts 2004, p. 1.7; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/729.
[58] Waartoe dient het enquêterecht? Wie een uitputtend antwoord op die vraag in de wet zoekt, vindt dat niet. Artikel 2:355 lid 5 BW houdt wel een vingerwijzing in. Daar wordt gewag gemaakt van maatregelen die een einde maken aan het wanbeleid of die de gevolgen van het wanbeleid zoveel mogelijk ongedaan maken of beperken.1
De Hoge Raad heeft in zijn veelbesproken beschikking in de tweede fase van de Ogem-zaak de vraag naar de doeleinden van de enquêteprocedure beantwoord.2 De doeleinden zijn: de sanering van de verhoudingen en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon, het verkrijgen van opening van zaken, en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid. Daarnaast wordt de preventieve werking van de mogelijkheid van de instelling van een enquête genoemd. De Hoge Raad knoopt hieraan vast dat ook in geval van faillissement of surséance van betaling een rol voor het enquêterecht kan zijn weggelegd. Eikelboom merkt op dat deze doelstellingen aansluiten bij de MvT bij de regeling van het enquêterecht in 1971.3 Met het oog op het doel om vast te stellen wie verantwoordelijk is voor wanbeleid, kan het onderzoek zich uitstrekken tot het functioneren van individuen die deel uitmaken van de organen van de vennootschap. Dit blijkt uit de beschikking van de Hoge Raad in de zaak Text Lite.4
Willems heeft gewezen op het ontbreken van een wettelijke definitie van het enquêterecht en van een wettelijke begrenzing van de functie.5 Hij heeft op grond daarvan verondersteld dat de enquête onbegrensde doeleinden kan dienen.6 Ook voor het afdwingen van nakomen van civielrechtelijke overeenkomsten en het vernietigen van overeenkomsten zag hij mogelijkheden binnen de enquêteprocedure.
De reikwijdte van het enquêterecht is niet grenzeloos gebleken. Het beslechten van geschillen van louter vermogensrechtelijke aard behoort niet tot de doeleinden van het enquêterecht en het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van geschillen van vermogensrechtelijke aard evenmin. Dat heeft de Hoge Raad bepaald in achtereenvolgens de zaken Unilever en KPNQwest.7 De grenzen staan sindsdien niet onwrikbaar vast en worden in de rechtspraak van tijd tot tijd opgerekt.8
De doeleinden, door de Hoge Raad geformuleerd in de beschikkingen in de zaken Ogem en Text Lite en afgebakend in de beslissingen in de zaken Unilever en KPNQwest, benadrukken mijns inziens dat het doel van het enquêterecht van praktische aard is.9 Het enquêterecht staat ten dienste aan het deugdelijk functioneren van rechtspersonen, die ondernemingsactiviteiten ontplooien en maatschappelijke functies hebben.10 Het doel van het enquêterecht is in wezen tweeledig. Het enquêterecht is niet alleen gericht op een juiste rechtstoestand, maar ermee wordt ook een adequate bedrijfseconomische toestand nagestreefd.11 De twee bestanddelen zijn naar mijn mening als gelijkwaardig te beschouwen. Deze tweeledigheid vindt weerspiegeling in de samenstelling van de bevoegde rechter. In de Ondernemingskamer hebben leden zitting, de raden, die zijn benoemd vanwege hun expertise op het bedrijfseconomische vlak in ruime zin.12
[59] Op 1 januari 2013, dus na de hiervoor vermelde jurisprudentie, is het enquêterecht gewijzigd.13 Deze herziening heeft niet geleid tot een significante wijziging van de omschrijving van de doeleinden van het enquêterecht. In de MvT is aandacht aan de doeleinden besteed. Gewezen is op de door de Hoge Raad in de Ogem-uitspraak ingezette lijn en de verduidelijking, in de zaak KPNQwest, dat een enquêteverzoek niet toewijsbaar is, als sprake is van een geschil van louter vermogensrechtelijke aard waarbij de doeleinden van een enquête niet verwezenlijkt kunnen worden.14 Welke die doeleinden zijn is in de MvT overigens niet geëxpliciteerd.
[60] De doeleinden van het enquêterecht, zoals deze sinds de Ogem-uitspraak worden erkend, vinden weerspiegeling in het onderscheid dat in de literatuur in navolging van Hermans wordt gemaakt tussen curatieve, inquisitoire, en antagonistische enquêtes.15 De curatieve enquête draait om de sanering en het herstel van de gezonde verhoudingen binnen de (onderneming van de) rechtspersoon. Een enquête die vooral gericht is op het verkrijgen van opening van zaken en het aanwijzen van de verantwoordelijken voor mogelijk blijkend wanbeleid heeft een inquisitoir karakter. In het derde type enquête, de antagonistische, gaat het niet primair over de problemen van de (onderneming van de) rechtspersoon. De aandacht gaat daar vooral uit naar de belangen van bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken partijen en hun conflicten. Van Solinge leidt uit de beschikking in de zaak Slotervaartziekenhuis af, dat ook bescherming van de minderheid van aandeelhouders of certificaathouders tegen machtsmisbruik door de meerderheid tot de doeleinden gerekend moet worden.16
Niet alleen het belang van de rechtspersoon, maar ook de belangen van verscheidene betrokkenen spelen een rol in de enquêteprocedure. Geerts en Van Solinge en Nieuwe Weme wijzen er op dat het bestaan van die belangen heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van die drie verschillende typen van enquêtes.17 De antagonistische enquête is volgens Hermans tot bloei gekomen nadat de Ondernemingskamer de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen kreeg.