Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.4
2.4 Enkele procesrechtelijke opmerkingen over de enquêteprocedure
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196893:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:345 BW, art. 2:355 BW.
Concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8210, bij HR 30 maart 2007, ARO 2007/68 (ATR-Leasing), nr. 5.6.
Art. 2:359 BW.
HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, ARO 2005/68 (Laurus), r.o. 3.7. Zie over (de begrenzing van) de twee procedures ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/730.
De begrippen eerste en tweede fase worden wel gebruikt om (in grote lijnen) het verschil weer te geven tussen het onderdeel van de procedure “waarin moet worden beoordeeld of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen” en dat “waarin moet worden beoordeeld of van wanbeleid sprake is geweest”. Bijv. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, ARO 2003/97 (Scheipar), r.o. 3.3.3. Zie ook nr. 56.
Art. 2:345 BW.
Beroep in cassatie als bedoeld in art. 2:359 BW buiten beschouwing gelaten.
HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1233 (Ogem).
Soms wordt het onderzoek als een afzonderlijke fase beschouwd, zie hierna.
HR 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7245 (Gucci), r.o. 4.2: “nadat de eerste procedure is geëindigd met het verslag van het onderzoek”. Dit oordeel is bevestigd in onder meer HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3356, ARO 2011/6 (KPNQwest II), r.o. 4.1.2: “Door het bevel tot het instellen van een onderzoek en de benoeming van de (nader aan te wijzen) onderzoeker(s) heeft de Ondernemingskamer met een uitdrukkelijk dictum op het verzoek beslist. Hoewel met deze beslissing nog geen einde wordt gemaakt aan de door het verzoek ingeleide procedure - dat gebeurt immers pas met de nederlegging van het verslag als bedoeld in art. 2:353 BW - is de beslissing op het verzoek wel een eindbeschikking (…)”. Zie voor het depot van het verslag art. 2:353 lid 1 BW.
Zie hierover 2.9.
Bijv. HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1056 (e-Traction II). Zie ook 2.9.
Josephus Jitta spreekt over een achterbalkon van de eerste fase (Josephus Jitta 2011, p. 4.14). Eikelboom hanteert een andere indeling in fases en hij beschouwt het depot van het verslag als een moment waarop een fase (die hij de tweede noemt) wordt beëindigd (Eikelboom 2017, p. 2.7.1).
Art. 2:355 BW.
Dat gebeurt niet ambtshalve maar op verzoek; art. 2:355 lid 1 BW. Over het tijdstip waarop de tweede fase eindigt zie concl. A-G L. Timmerman ECLI:NL:PHR:2012:BV1056 (e-Traction II), nr. 3.12-3.15.
Geerts noemt deze fase de voorfase (Geerts 2004, hoofdstuk I). Zie over deze voorfase ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/748.
Eikelboom 2017, p. 2.7.1.
Rapport Cools/Kroeze 2009.
Voor niet-beursgenoteerde vennootschappen in de periode 2000-2007: gemiddeld 88 dagen (Rapport Cools/Kroeze 2009, p. 55). Ik heb geen onderzoek gedaan naar die waarde in latere jaren.
In 2018 bedroeg de gemiddelde periode (voor alle enquêtezaken, ook beursgenoteerde) tussen het moment waarop partijen om een beslissing vragen en het tijdstip van uitspraak in de eerste fase 61 dagen (Ondernemingskamer Jaarverslag 2018, Hoofdstuk IV, par. 5). De totale doorlooptijd, vanaf het moment van aanbrengen van een enquêtezaak bij de Ondernemingskamer tot de uitspraak in de eerste fase, bedroeg gemiddeld 118 dagen (Ondernemingskamer Jaarverslag 2018, Hoofdstuk IV, par. 5).
[61] De enquêteprocedure is een verzoekschriftprocedure.1 De regeling voor de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg, neergelegd in de derde titel van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is in beginsel van toepassing.2 Advocaat-Generaal Timmerman heeft hierover opgemerkt dat de gewone verzoekschriftprocedure van toepassing is, voor zover de specifieke aard van het enquêterecht zich daartegen niet verzet.3
De Ondernemingskamer, die is aangewezen als – landelijk – bevoegde rechter, is de enige feitelijke instantie.4 Van haar beschikkingen in het kader van het enquêterecht staat (slechts) cassatie open.5 Voor verzoekers en voor de rechtspersoon geldt dat procesvertegenwoordiging verplicht is.6
[62] Welbeschouwd is het niet erg nauwkeurig om over ‘de enquêteprocedure’ te spreken. Immers, zoals de Hoge Raad in de zaak Laurus nog eens heeft overwogen, “houdt het in de wet vastgelegde stelsel van het recht van enquête twee afzonderlijke procedures in”.7 In de praktijk van het enquêterecht wordt meestal gesproken over de fases van de enquêteprocedure.8
De eerste procedure, of eerste fase, wordt ingeleid met een schriftelijk verzoek aan de Ondernemingskamer tot het doen instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon.9 Als dat verzoek wordt afgewezen eindigt de eerste fase, die dan de enige fase blijft, met de afwijzende beschikking.10
Als het verzoek wordt toegewezen, beveelt de Ondernemingskamer zo’n onderzoek en benoemt zij een onderzoeker, die het onderzoek gaat uitvoeren. De onderzoeker maakt geen deel uit van (de organisatie van) de Ondernemingskamer. Het is een, ten opzichte van de rechter en de procespartijen externe, deskundige persoon aan wie het onderzoek wordt uitbesteed.11 De beschikking waarin het onderzoek wordt bevolen is een eindbeschikking.12 Met die beschikking komt geen einde aan de eerste procedure. Tot de eerste fase wordt het gedeelte van de procedure tot en met het onderzoek gerekend.13 In de beschikking van de Hoge Raad in de zaak Gucci valt te lezen dat de eerste fase eindigt als de onderzoeker het verslag van het onderzoek deponeert ter griffie van de Ondernemingskamer.14
Vanaf het depot van het verslag ter griffie gaat een termijn van twee maanden lopen, waarbinnen een tweede procedure kan beginnen.15 Getroffen onmiddellijke voorzieningen komen niet te vervallen op het moment van deponering van het onderzoeksverslag.16 Ze vervallen pas na het verstrijken van de termijn van twee maanden waarbinnen de tweede procedure moet worden aangevangen. Indien een tweede procedure wordt begonnen kunnen de onmiddellijke voorzieningen voortduren en dus pas nog later expireren.17 Dat verschijnsel heeft aanleiding gegeven om het moment van deponering niet te beschouwen als het absolute einde van de eerste procedure.18
Eventueel kan na het deponeren van het onderzoeksverslag een tweede procedure volgen, waarvoor een nieuw verzoekschrift nodig is.19 In deze tweede fase beoordeelt de Ondernemingskamer of uit het verslag van wanbeleid van de rechtspersoon is gebleken. Bovendien kunnen, indien wanbeleid wordt vastgesteld, de in artikel 2:356 BW limitatief opgesomde voorzieningen worden getroffen.20
De enquêteprocedure wordt ook wel eens onderverdeeld in drie fasen, waarbij het onderzoek als een afzonderlijke fase wordt beschouwd. Bovendien valt nog een voorafgaande fase te onderscheiden, die Geerts uitvoerig heeft beschreven.21 In deze fase moet men, op straffe van niet-ontvankelijk te worden verklaard in een verzoek tot het instellen van een enquête, het bestuur en de raad van commissarissen op de hoogte stellen van bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon en de rechtspersoon een termijn gunnen om orde op zaken te stellen.22 Eikelboom merkt het onderdeel van het geding, waarin wanbeleid is geconstateerd en (onmiddellijke) voorzieningen nog niet zijn geëindigd, aan als afzonderlijke, vierde fase.23
[63] De wetgever heeft het verzoek tot het instellen van een enquête en het verzoek als bedoeld in artikel 2:355 BW beschouwd als spoedeisende verzoeken en bepaald dat de Ondernemingskamer ze met de meeste spoed behandelt.24 Een indruk van wat de voorgeschreven spoed in de praktijk betekent, verkrijgt men uit het rapport Het recht van enquête, Een empirisch onderzoek van Cools c.s.25 Daarin is niet alleen de duur van enquêteprocedures (eerste en tweede fase) beschreven. Ook is in kaart gebracht hoe lang de periode is die verstrijkt tussen het inleidende verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek en de eerste inhoudelijke beschikking waarin een onmiddellijke voorziening wordt getroffen en/of een enquête wordt bevolen.26 Ook de jaarverslagen van de Ondernemingskamer geven informatie over de duur van de procedures.27