Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.8.3
4.8.3 Case management technieken
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS600710:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook al betreft het een `semi-officiële uitgave' die slechts een aanbevolen handelwijze betreft. De Manual is inmiddels voor de vierde keer herzien (in 2004). De vorige versie dateerde uit 1995. Over de achtergrond en de betekenis van de Manual zie ook Newberg & Conte 2004, hfd. 9: p. 304-10, Willging 2000, p. 2225-61, Een nieuwe balans 2003, p. 184-5.
Vermeldenswaard is de indeling en de bespreking van McGovem 1997, p. 1853-8 van verschillende soorten case management stylen afhankelijk van de vier variabelen aansprakelijkheid, causaal verband, schadeomvang en de omvang van voor verhaal beschikbare schadefondsen. Illustratief is ook de case study-bespreking van de rechterlijke samenwerking en case management methode in de asbest litigation en in de silicone gel breast implant litigation: McGovern 1997, p. 1858-65.
MCL 2004, p. 36-40.
Voor een uitleg over deze instrumenten zie Tzankova 2005, p. 105 noot 355 en de daar aangehaalde literatuur, MCL 2004, p. 46-8, Newberg & Conte 2004, hfd. 9: p. 399-400, Kozel & Rosenberg 2004, p. 6, noot 8. Voor de verweerder kunnen strategische overwegingen spelen om de instrumenten al dan niet in te zetten: beknopt maar illustratief hierover zijn Klonoff & Bilich 2000, p. 344-6.
Kozel & Rosenberg 2004 stellen de `mandatory summary judgment' voor als dé oplossing voor het probleem van `nuisance-value settlements' niet alleen in de context van class actions, maar ook daarbuiten. Dat zijn settlements waarin 'a litigant can profitably initiate a meritless claim or defense and offer to settle it for less that it would cost the opposing litigant to have a court dismiss the claim or defence on a standard motion for merits review like summary judgement.'
MCL 2004, p. 272, Klonoff & Bilich 2000, p. 301-8.
Rule 23 (c) (4) (A), MCL 2004, p. 272-4, 429-35, Klonoff & Bilich 2000, p. 294-301, Rothstein & Willging 2005, p. 7, Hines 2004.
Literatuur in vorige noot, maar in het bijzonder Hines 2004 die kritisch is over de issue classes.
Zie de aldaar genoemde literatuur en voorts Newberg & Conte 2004, hfd. 10: p. 483-7, Walker & Monahan 1998, Tzankova 2005, p. 74 en noot 252. Good 2001 handelt meer in het algemeen over het gebruik van statistieken in de rechtzaal. Bij Bone 1993 en Tribe 1971, p. 1339 vindt men een kritische analyse over de toepassings(on)mogelijkheden van sampling.
Het ging in deze zaak om schending van grondrechten, maar de methode die door de rechter gevolgd is om de hoogte van de verschuldigde schadevergoedingen te bepalen, is exemplarisch.US Court of Appeals, 9th Circuit, 1996, 103 F.3d 767. Zie ook Klonoff & Bilich 2000, p. 810-6 (en eventueel p. 371-6). Een ander illustratief voorbeeld is de sampling aanpak van Judge Parker in de asbestkwestie Cimino v. Raymark Industries, Inc. die besproken wordt door Bone 1993, p. 563-9, 571-2.
Volgens Newberg & Conte 2004, p. 483-7, waar rechtspraak behandeld wordt, is sampling een legitieme techniek, zeker in gevallen van strooischade. De MCL 2004, p. 436-7 is beduidend genuanceerder.
Bone 1993, p. 571.
Newberg & Conte 2004, hfd. 10, p. 476-82, 505-9, hfd 18, p. 155-6 .
De aan het slot van 4.2 genoemde en ruim vijfhonderd pagina's tellende MCL 2004 is een belangrijke, zo niet de belangrijkste informatiebron voor dit onderwerp.1 Deze leidraad behandelt alle aspecten die met de uitoefening van case management door de rechter te maken hebben. Daarbij wordt niet alleen aan de gangbare rechterlijke praktijk en 'best practises' gerefereerd, maar ook aan relevante op verschillende onderwerpen betrekking hebbende rechtspraak.2
De pre-trial conference, ofwel de preprocessuele comparitie, neemt een belangrijke plaats in de rechterlijke aanpak van class actions in, omdat daarin onder andere het case managementplan kan worden vastgesteld. Onderwerpen die in dat plan aan bod kunnen komen, betreffen onder andere afspraken over bewijslevering, vaststelling van contactpersonen en benoeming van de (sub)class advocaten.3 De noodzaak van de aanwending van instrumenten als motions to dismiss en summary judgments kunnen op verzoek van partijen dan ook ter sprake komen om de class action te stroomlijnen en de geschilpunten te beperken.4
Een `motion to dismiss' bestrijdt de deugdelijkheid van de rechtsgrond die aan de class action ten grondslag ligt om tot toewijzing van de vordering te kunnen leiden, zelfs indien veronderstellenderwij s zou worden aangenomen dat de gestelde feiten juist zijn. Bij een summary judgment is de juistheid van de gestelde feiten zoals ze blijken uit de beschikbare bewijsmiddelen wel van belang. Deze worden beoordeeld tegen de achtergrond van de aangevoerde rechtsgronden. De inzet van deze twee instrumenten kan ervoor zorgen dat ondeugdelijke class actions in een vroeg stadium, nog voordat omvangrijke kosten zijn gemaakt, in de kiem worden gesmoord.5
Belangrijke case management technieken die in de certificatiefase kunnen worden aangewend om de class action hanteerbaar te maken, zijn het vormen van subclasses,6 issueclasses en de voorwaardelijke goedkeuring van een class.7 Het vormen van subclasses is gerechtvaardigd, indien onderlinge verschillen tussen de classleden daartoe aanleiding geven, omdat sprake is van uiteenlopende of zelfs tegenstrijdige belangen. Dat kan te maken hebben met de uiteenlopende aard van de geleden schade binnen de groep (letsel of alleen materiële schade), met de aanwezigheid van rechtens relevante omstandigheden bij sommige van de beweerde schadelijders of andere omstandigheden die het voeren van bepaalde weren rechtvaardigen. De differentiatie kan op verschillende niveaus spelen: bij de beantwoording van aansprakelijkheidsvragen, maar ook bij de bepaling van de schadeomvang. Schadelijders kunnen lid blijken te zijn van verschillende subgroepen. De noodzaak tot veel subclasses te komen, kan een indicatie zijn dat de actie niet hanteerbaar is.
Per subclass wordt een afzonderlijke advocaat benoemd. Elk van hen dient zelfstandig te voldoen aan de in 4.4.2 genoemde algemene en bijzondere formele vereisten. Het vormen van subclasses is vergelijkbaar met het vormen van subgroepen in het Engelse model. Dat is een manier om de nodige homogeniteit binnen een groep, die noodzakelijk wordt geacht bij de afwikkeling van schadevergoedingsaanspraken, te waarborgen.
Issueclasses en voorwaardelijke goedkeuring hebben een beperkt bereik en een beperkte omvang. Ze worden ingezet voor specifieke doeleinden, bijvoorbeeld voor de vaststelling of beantwoording van specifieke gemeenschappelijke feitelijke of rechtsvragen, indien de verwachting is dat daardoor proceseconomische voordelen kunnen worden behaald, terwijl de 'normale' certificatie niet tot de mogelijkheden behoort, omdat niet aan alle in 4.4.2 behandelde voorwaarden is voldaan. Daarmee kunnen causaliteits- en relativiteitsvragen buiten de class worden gehouden. Wel moet de verwachting bestaan dat de individuele procedures die daarna alsnog nodig zijn werkelijk 'geholpen worden' met deze aanpak. Het is omstreden in hoeverre deze techniek geschikt is voor de afwikkeling van sluipende massaschade, in het bijzonder voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten.8
Een andere case management techniek die de vorming van subclasses vergemakkelijkt leidt tot aanzienlijke kostenbesparing en vereenvoudiging van verschillende fases van het proces: van discovery tot schadestaatprocedures. Dit betreft de eerder besproken sampling en andere kwantitatieve afwikkelingsmethoden. De voordelen en bezwaren daarvan zijn reeds in 4.6.3 aan bod gekomen,9 maar deze case management techniek kan het beste gelllustreerd worden aan de hand van een concreet voorbeeld:
Hilao v. Marcos.10 De class bestond uit 'all civilian citizens of the Philippines who, between 1972 and 1986, were tortured, summarily executed, or `disappeared' by Philippine military or paramilitary groups'. Na kennisgeving bleek de class uit 9.541 betrokkenen te bestaan. Het zou heel arbeidsintensief, zo niet onmogelijk zijn om elke schadevergoedingsclaim afzonderlijk te begroten. Een verantwoorde nadere subgroepering was noodzakelijk. Van de groep van alle betrokkenen zijn 137 claims willekeurig geselecteerd door een computer en op de gebruikelijke manier per geval nader onderzocht. Het aantal van 137 was bepaald op basis van een deskundigenverklaring van een expert statisticus dat bij een groepsomvang van 9.541 met het aantal van 137 'a 95 percent statistical probability' werd gecreëerd dat 'the same percentage determined to be valid among the examined claims would be applicable to the totality of claims filed.'
De groep van 137 bleek in drie verschillende schadecategorieën te kunnen worden onderverdeeld (67 gevallen betroffen een schadecategorie A, 52 een categorie B en 18 een categorie C. 6 uit de 137 geselecteerde claims bleken ongegrond.)
De hoogte van de totaal verschuldigde schadevergoeding is vervolgens per groep bepaald, waarbij steeds de factoren zijn gedefinieerd die relevant zijn bij de vaststelling van de hoogte van de individuele vergoedingen. Bijvoorbeeld: welke methode werd gevolgd bij de marteling, de duur ervan, aard van het letsel, de leeftijd van het slachtoffer. Het voordeel van deze benadering is dat voor de verweerder op een relatief korte termijn duidelijkheid ontstaat over de omvang van zijn betalingsverplichtingen, terwijl de schadelijders voor de voortvarendheid van de afwikkeling niet langer afhankelijk zijn van de verweerder.
Over de vraag in hoeverre de rechter een sampling techniek kan toepassen indien één van de betrokken partijen daar bezwaar tegen maakt op due process gronden lopen de meningen, zoals reeds in 4.6.3 bleek, uiteen en is de rechtspraak niet eenduidig.11 In het algemeen wordt sampling minder bezwaarlijk bevonden als bij een eventuele individuele afwikkeling geen bijzondere (bewijs)problemen worden verwacht en vooral de administratieve belasting door de macht der getallen als drukkend wordt ervaren.12 Het gebruik van formules bij de berekening van schadevergoedingen in mededingingskwesties (anti-trust litigation) is gebruikelijk en geaccepteerd.13