Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.8.5
4.8.5 Bezwaren
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS596083:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de context van strooischade: Tzankova 2005, p. 123-5.
Over deze problematiek uitvoerig: Spiegel 1994, p.1565-70, 1994, Klonoff & Bilich 2000, p. 599-602.
Resnik 1982, p. 407.
Zo werd de beroepsgroep steeds 'georganiseerder', hetgeen onder andere tot uitdrukking komt in de oprichting van centrale organen die gerechten aansturen en rechters opleiden. Zie de analyse van Resnik 2000 en in het bijzonder p. 949-57 (institutionele veranderingen). Ook in Nederland lijkt, met de oprichting van de Raad voor de Rechtspraak, van soortgelijke ontwikkelingen sprake te zijn.
Het `rational actor model of judicial behavior' is ontwikkeld door Posner 1993. Helland & Klick 2004, p. 2-3: 'he (Posner: intz) posits a very simple model of judicial behaviour. The decision to become or remain a judge is dependent on the relative magnitude of the individual' s expected utility as a judge and as a lawyer. By assumption, the individual eams a higher income as a lawyer but consumes less leisure and gets less psychic income from prestige and reputation'.
Helland & Klick 2004: hun conclusie is dat `attomey fees are significantly and positively related to the congestion level of the court hearing the case'. Ook Bone 2006, p. 44-51 ziet de actieve rechter als 'a strategic player'.
Deze constatering wordt niet in de setting van class actions, maar van hoger beroep gemaakt. Door de jaren heen wordt een aanzienlijke afname van het aantal hoger beroepen dat wordt gehonoreerd gesignaleerd. Voor cijfers en een korte analyse daarvan zie Oldfather 2006, p. 135-6 en noot 42. Anders: Posner 1996, p. 74-5, noot 38 die de afname verklaart met het feit dat het percentage `moeilijke zaken'die de appèlrechter bereiken steeds lager is geworden: Oldfather 2005, p. 136 en noot 44.
Een instructieve analyse van judicial inactivism' vindt men bij Oldfather 2005.
Oldfather 2005, p. 123: `Judicial inaction which operates to preserve the status quo, can have consequences that are every bit as significant as those resulting from judicial action....Indeed, because doing nothing generally leaves fewer traces than doing something, judicial failures to meet the minimum requirements of the mle are likely to be more difficult to detect that action going beyond its proper limitations.'
Oldfather 2005, p. 153-5. De driedeling klassiek, public law en post public law model is illustratief en is instructief behandeld door Oldfather 2005, p. 137-55.
Oldfather 2005, p. 153, Mullenix 1999, p. 414, 421-4, 1999, Rubenstein 2001, p. 372.
Rubenstein 2001, p. 372.
Bone 2006, p. 31-51 onderscheidt drie problemen die eraan in de weg staan dat de actieve rechter op een verantwoorde manier gebruik kan maken van de hem gegeven discretionaire case management bevoegdheden. De eerste is de zogenaamde `bounded rationality' (van rechters wordt verwacht beslissingen te nemen in complexe kwesties, terwijl ze zelf ook hun eigen biases hebben), de tweede: `information access' (de rechter is afhankelijk van de informatie die partijen hem verschaffen om het hem voorgelegde geval te beoordelen; als beide partijen, zoals in de situatie van een collectieve schikking het geval kan zijn, er belang bij hebben om de rechter niet alle nodige informatie te verschaffen, is de kans dat hij daar toch achterkomt vrijwel nihil). Het laatste probleem is de eerder genoemde rol van de rechter als 'a strategic player'.
Zo is Rubenstein 2001 van mening dat dit model het verschil in behandeling door de rechter verklaart van collectieve schikkingen met en zonder een letselschadecomponent: de rechters hebben minder moeite om transacties — collectieve schikkingen ten aanzien van zuivere vermogensschade — te beoordelen en goed te keuren dan 'transacties' waar menselijk leed in het geding is: bij sluipende massaschade is in de regel een letselcomponent aanwezig. Oldfather 2005 en Oldfather 2006 kiest voor een andere benadering, waarin hij via het concept van `judicial inactivism' de eisen probeert te definiëren, waaraan elk 'model of adjudication' zou moeten voldoen. Daarmee neemt hij de veranderlijke aard van de rechterlijke rol als een gegeven.
Oldfather 2005 en Oldfather 2006 formuleert minimumeisen waaraan elk rechterlijk optreden dient te voldoen, terwijl Bone 2006, p. 51-79 vier opties (in een glijdende schaal) uitwerkt om op een verantwoorde manier de ruime rechterlijke discretie te beperken. In relatie tot collectieve acties is vooral de laatste van belang: `guiding discretion with general principles' ofwel het maken van duidelijke normatieve keuzes over het doel van de regeling, waaraan een concreet besluit getoetst dient te worden.
Dat geldt uiteraard veel minder als in gevallen van massaschade een rechter exclusief bevoegd is. Over rechterlijke samenwerking in het Amerikaanse regime zie McGovem 1997, McGovem 1986.
<http://www.abanet.org/cpr/mcjc/toc.html> en McGovem 1997, p. 1866.
McGovem 1997, p. 1867.
McGovem 1997, p. 1866. Andere bezwaren die hij noemt houden verband met het federale stelsel en voorts met wat hij noemt `faimess interests': zaken als voorspelbaarheid van de procedure, `quality outcomes' en equality of arms: McGovem 1997, 1867-8.
McGovem 1997, p. 1868-70.
De bezwaren die tegen managerial judging bij de totstandkoming van collectieve schikkingen kunnen worden aangevoerd, heb ik al eerder in het kort toegelicht en van commentaar voorzien.1 Deze zijn grotendeels terug te voeren op de rechterlijke onafhankelijkheid en de mogelijke schijn van partijdigheid. In de setting van een goedkeuringsprocedure (fairness hearing) van een collectieve schikking zijn de bezwaren nog groter. Daar is de rechter betrokken bij de totstandkoming van een collectieve schikking en kunnen er vraagtekens worden geplaatst bij zijn objectiviteit als hij in een later stadium zou moeten oordelen over een eindproduct waaraan hij heeft meegewerkt. Anderzijds zou men ook kunnen stellen dat juist die rechter beter in staat is om de redelijkheid van de schikking te beoordelen. Hij beschikt immers over voldoende 'inside information' om de gegrondheid van eventuele bezwaren van de belanghebbenden in een later stadium te beoordelen.2 Resnik3 geeft de kern van het probleem van managerial judging als volgt doeltreffend weer:
`As managers, judges learn more about cases much earlier then they did in the past. They negotiate with parties about the course, timing, and scope of both pretrial and posttrial litigation. These managerial responsibilities give judges greater power. Yet the restraints that formerly circumscribed judicial authority are conspicuously absent. Managerial judges frequently work beyond the public view, off the record, with no obligation to provide written reasoned opinions, and out of reach of appellate review'.
Managerial judging en case management brengen tot uitdrukking dat de rechterlijke activiteiten een zeker bedrijfsmatig karakter hebben gekregen. Efficiëntie en het voldoen aan 'productienormen' voeren de boventoon. Aan deze wijziging in de taakopvatting van de rechter zijn vele studies gewijd. Sommigen hebben geprobeerd de verandering in de aard van de rechterlijke werkzaamheden een institutionele achtergrond te geven en te koppelen onder meer aan veranderingen in de organisatiestructuur van de rechterlijke macht in de afgelopen jaren.4 Anderen, vooral rechts-economisch georiënteerde auteurs, hebben een judicial behavior model5 van de rechter als een `rational actor' ontwikkeld en benaderen verschijnselen als managerial judging, case management en de implicaties daarvan meer pragmatisch. In de setting van class actions veronderstelt dit rechtseconomische model bijvoorbeeld een positieve relatie tussen de mate van overbelasting van de gerechten en de hoogte van de goedgekeurde advocaatkosten in collectieve schikkingen. Ofwel hoe meer de gerechten overbelast zijn, hoe hoger de (goedgekeurde) honoraria in collectieve schikkingen, omdat de rechters minder tijd zullen vrijmaken voor de (ambtshalve) monitoring van de verzoeken en eventuele bezwaren daartegen. Deze veronderstelling is empirisch getoetst en het onderzoek lijkt een indicatie op te leveren voor de geldigheid van het model.6 Een derde groep is meer geïnteresseerd in de normatieve gevolgen van de ontwikkeling, die meebrengt dat de rechter onder tijdsdruk steeds minder (vaak) inhoudelijke beslissingen neemt7 en waarschuwt voor het gevaar dat rechterlijkinactivisme heet.8 In deze visie is dat een groter gevaar dan rechterlijk activisme, mede omdat inactivisme lastiger te traceren is.9
Een laatste groep auteurs plaatst in het verlengde van managerial judging het zogenaamde 'post public model of adjudication'.10 Dat is het meest recent in de literatuur onderscheiden model van `adjudication'. Het wordt in verband gebracht met de rechterlijke rol in collectieve acties en collectieve schikkingen. De noodzaak tot het onderscheiden van dit nieuwste model ligt in het feit dat in een recente belangrijke categorie gevallen, te weten: massaschade, noch het traditionele model, noch het public law model erin slaagt adequaat de aard van de rechterlijke activiteiten weer te geven.11 Over de vraag wat de aard van die activiteiten wél is, zijn de meningen nog niet uitgekristalliseerd. Sommigen gaan zo ver dat zij de rol van de rechter bij het faciliteren en goedkeuren van collectieve schikkingen omschrijven als een `transactional process that hos more in common with business deals than...with traditional adversarial litigation, legislative activity, or executive management'.12 De doctrine over de (on)wenselijkheid van dit nieuwste verschijnsel is nog volop in ontwikkeling en beperkt zich vooralsnog tot het onderscheiden, benoemen en verklaren13 van het fenomeen en zijn implicaties 14 Bij enkele auteurs vindt men constructieve voorstellen over hoe eventuele negatieve neveneffecten van het verschijnsel ondervangen kunnen worden.15
In de context van massaschade leidt managerial judging al snel ook tot rechterlijke samenwerking.16 Behalve veel voordelen heeft laatstgenoemde ook schaduwkanten. In de literatuur worden bezwaren van uiteenlopend karakter genoemd, waaronder ethische, processuele en rechtseconomische. De ethische bezwaren vloeien voort uit de American Bar Association Code of Judicial Conduct en de Code of Conduct for United States Judges17 De processuele hebben te maken met het leerstuk van 'procedural justice' en met datgene wat rechtzoekenden belangrijk blijken te vinden: `participation, autonomy and dignity' 18 Tenslotte houden de rechtseconomische bezwaren onder meer verband met de zogenaamde 'error and opportunity costs' en met `dislocation' kosten, omdat afgeweken moet worden van standaard procedures.19 In de literatuur wordt door sommigen als vuistregel20 voorgesteld dat een vroege en veelomvattende rechterlijke samenwerking het meeste voordelen heeft en het minste weerstand oproept. Openheid, uniformiteit en voorspelbaarheid van het samenwerkingsproces vergroten de acceptatie. Hoe groter de onzekerheid, hetzij door de aard van het onderliggende massaschadegeval, hetzij doordat het rechterlijke samenwerkingsproces minder inzichtelijk is, hoe groter de weerstand. Samenwerkingen die procesmatige afspraken inhouden worden eerder geaccepteerd dan samenwerkingsverbanden die de inhoud van rechterlijke beslissingen betreffen. Dat laatste hangt samen met de rechterlijke onafhankelijkheid.