Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/2.6.3
2.6.3 Overige waarborgen tegen afschaffing
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947827:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van der Woude 2009, p. 25-30. Van der Woude verkent daarnaast het instrument van de Kamerontbinding (art. 64 Gw) als systematische waarborg. Hij concludeert daarbij dat dit instrument op grond van de Conventie van 1922, inhoudende dat een kabinet aan de vooravond van de verkiezingen zijn ontslag aanbiedt, nu niet geschikt is om door de regering ingezet te worden als instrument om zich van een antidemocratische Tweede Kamer te ontdoen. Van der Woude ziet daarbij wel ruimte voor ‘nieuwe precedenten of een nieuwe invulling van oude gewoontes’. Zie Van der Woude 2009, p. 29.
Van der Woude 2009, p. 26.
Van der Woude 2009, p. 31-47.
Van der Woude 2009, p. 31-34.
Zie art. 46 lid 1 en 43 Statuut.
Zie par. 3.3.1.
Van der Woude 2009, p. 40-42.
Daarnaast zijn er enkele grondwettelijke aspecten aan te wijzen die weliswaar niet als specifiek doel hebben om te voorzien in een waarborg tegen afschaffing van de democratie, maar in de praktijk wel deze functie (kunnen) vervullen. Gewezen kan worden op een systematische waarborg in de vorm van het tweekamerstelsel (artikel 51-64 Gw).1 Het tweekamerstelsel werpt een drempel op tegen afschaffing van de democratie, nu een eventuele antidemocratische regering of Tweede Kamer daarbij afhankelijk is van de apart te verkiezen Eerste Kamer. De Eerste Kamer wordt bovendien verkozen door de leden van Provinciale Staten, wat betekent dat antidemocratische bewegingen zich niet alleen landelijk, maar ook provinciaal moeten organiseren.2
Daarnaast bestaat een aantal hiërarchische waarborgen tegen het afschaffen van de democratie. Het betreft hier rechtsnormen waar ook een antidemocratische wetgever zich aan heeft te houden.3 In de eerste plaats komt daarbij de grondwetsherzieningsprocedure in beeld (artikel 137 Gw). Deze procedure, die in de kern twee lezingen met tussentijdse verkiezingen inhoudt, is beduidend zwaarder dan de ‘gewone’ wetsprocedure van artikel 81-88 Gw en bemoeilijkt zo het doorvoeren van grondwetswijzigingen die de afschaffing van de democratie betekenen.4 Ten tweede moet gewezen worden op de hogere rechtsnormen dan de Grondwet, bijvoorbeeld de regels die vervat zijn in het Statuut voor het Koninkrijk,5 het EU-recht en verschillende mensenrechtenverdragen. Men denke aan het hierboven besproken artikel 2 VEU, dat de democratische rechtsstaat als kernwaarde van de EU aanmerkt, in samenhang met het sanctiemechanisme van artikel 7 VEU en de mogelijkheid tot het voeren van inbreukprocedures op grond van artikel 258 VWEU. Ook het recht op vrije en eerlijke verkiezingen is op internationaal niveau vastgelegd.6 Hetzelfde geldt voor grondrechten als de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en de verenigingsvrijheid (artikel 11 EVRM). Artikel 94 van de Grondwet schrijft voor dat de rechter een ieder verbindende verdragsbepalingen voorrang heeft te verlenen boven nationale regels die daarmee in strijd zijn, waarmee opnieuw de rechter in beeld komt als instantie die de democratische rechtsstaat heeft te ‘bewaken’. De samenhang tussen democratie en rechtsstaat, die onder meer inhoudt dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter de grondrechten beschermt, zij hierbij in herinnering geroepen. Een antidemocratische wetgever zou slechts kunnen besluiten om de genoemde verdragen op te zeggen, hetgeen echter niet in alle gevallen even eenvoudig is.7