Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.3.3
3.3.3 Bevoegdheid tot optreden
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394801:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie het arrest Van Gend en Loos waarin het beginsel van de directe werking van het EU-recht wordt bevestigd: “dat bovendien de opdracht aan het Hof van Justitie, om door middel van artikel 177 de eenheid in de uitlegging van het verdrag door de nationale gerechten te verzekeren, bewijst dat de staten ervan uit zijn gegaan, dat de gelding van het gemeenschapsrecht door hun ingezetenen voor deze gerechten kan worden ingeroepen; Dat uit deze omstandigheden moet worden afgeleid, dat de gemeenschap in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde vormt ten bate waarvan de staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts deze Lid-Staten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn; Dat het gemeenschapsrecht derhalve, evenzeer als het, onafhankelijk van de wetgeving der Lid-Staten, ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, ook geëigend is rechten te scheppen welke zij uit eigen hoofde kunnen geldig maken.” (HvJ EEG 5 februari 1963, nr. 26/62 (N.V. Algemene Transport- en Expeditie Onderneming van Gend & Loos/Nederlandse Administratie der Belastingen), Jur. 1963, p. 3. In de zaak Costa/ENEL gaat het hof nog een stapje verder en introduceert het het beginsel van de voorrang van het recht van de Unie: “Overwegende dat het E.E.G.-verdrag, anders dan met gewone internationale verdragen het geval is, een eigen rechtsorde in het leven heeft geroepen, die bij de inwerkingtreding van het verdrag in de rechtsorde der Lid-Staten is opgenomen en waarmede de nationale rechters rekening dienen te houden; Dat namelijk de Lid-Staten – door voor onbepaalde tijd een gemeenschap op te richten, voorzien van eigen organen, van rechtspersoonlijkheid en handelingsbevoegdheid, van vertegenwoordigingsbevoegdheid op het internationale vlak, en in het bijzonder van praktische bevoegdheden (dit laatste ten gevolge van het feit dat de staten hun bevoegdheden hebben ingeperkt of aan de gemeenschap hebben overgedragen) – hun souvereiniteit, zij het op een beperkt terrein, hebben begrensd en derhalve een rechtsstelsel in het leven hebben geroepen, dat bindend is zowel voor hun onderdanen als voor henzelf; Overwegende dat deze opneming in het recht der Lid-Staten van uit gemeenschapsrechtelijke bron voortkomende rechtsregels en, meer in het algemeen, de geest en de inhoud van het verdrag, tot gevolg hebben dat de staten tegen de rechtsorde, die zij op basis van wederkerigheid hebben aanvaard, niet kunnen ingaan met een later, eenzijdig afgekondigd wettelijk voorschrift; dat een dergelijk voorschrift derhalve niet boven de rechtsorde van de gemeenschap kan worden gesteld.” HvJ EEG 15 juni 1964, nr. 6/64 (Flaminio Costa/E.N.E.L.), Jur. 1964, p. 1203.
Zie hierna, par. 3.3.5.1.
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Pb. L 12/1.
In de Richtlijn komt de hiervoor bedoelde passage uit de Considerans van de 4e Richtlijn niet meer in deze bewoordingen voor, maar wordt in overweging 2 de overweging 1 van de 5e Richtlijn overgenomen. Zie nader par. 3.3.5.1.
Amtenbrink & Vedder, IV-28.
Zie Amtenbrink & Vedder, IV-34 en 36 e.v.
Met de oprichting van de EEG, thans de EU, hebben de lidstaten een eigen rechtsorde in het leven geroepen.1 De lidstaten hebben een deel van hun soevereiniteit overgedragen aan de EU en daarmee hun eigen bevoegdheden tot optreden beperkt.
Omdat die soevereiniteitsoverdracht niet volledig is, moet telkens worden nagegaan óf de EU tot handelen bevoegd is. Het gaat daarbij niet alleen om de vraag of het onderwerp tot het bevoegdheidsterrein van de EU behoort, maar tevens of de bemoeienis van de EU niet verder gaat dan met haar bevoegdheden strookt. Art. 5 EU-Verdrag verwoordt dit aldus:
“1. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
2. Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie enkel binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.
3. Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt. De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen zien er volgens de in dat protocol vastgelegde procedure op toe dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd.
4. Krachtens het evenredigheidsbeginsel gaan de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken.
De instellingen van de Unie passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.”
De in dit artikel vervatte beginselen staan bekend als die van attributie, subsidiariteit en proportionaliteit of evenredigheid.
Het beginsel van attributie houdt in dat er steeds een concrete verdragsbepaling moet kunnen worden aangewezen, waarop het optreden van de EU kan worden gegrond. Zo worden de richtlijnen op het terrein van de motorrijtuigverzekering tegenwoordig doorgaans gerechtvaardigd met een verwijzing naar art. 95 EGVerdrag, thans 114 VWEU.2 Dit artikel maakt de EU bevoegd om richtlijnen vast te stellen tot harmonisatie van nationale regelgeving die van invloed is op de instelling of de werking van de interne markt. Daarnaast kan als grondslag ook nog worden gewezen op art. 169 VWEU, dat de EU de bevoegdheid geeft maatregelen ter bescherming van de consument vast te stellen. Deze consumentenbeschermingsdoelstelling komt in de considerans van de Richtlijn op verschillende plaatsen tot uitdrukking, zonder dat het artikel expliciet wordt genoemd.3 Bij Verordening Brussel I4 wordt verwezen naar art. 61 onder c EG-Verdrag, dat de EU de bevoegdheid toedeelde tot het nemen van maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, als bepaald in art. 65 (dat duidelijk maakt dat het hier gaat om jurisdictie- en executievraagstukken), een materie die thans is terug te vinden in art. 67 lid 4 VWEU-Verdrag.
Het beginsel van de subsidiariteit houdt in dat de doelstellingen in het concrete geval van optreden niet beter of voldoende door de lidstaten zelf kunnen worden verwezenlijkt. In de tekst van de (motorrijtuigverzekerings)richtlijnen komt dit beginsel minder helder tot uitdrukking dan het attributiebeginsel. Zo wordt het optreden van de EU op terrein van de bescherming van bezoekende slachtoffers in het gemotoriseerde verkeer in de Preambule, de overwegingen 1 en 2, van de 4e Richtlijn nog gerechtvaardigd met de stelling, dat de regelgeving in de lidstaten op het gebied van de WA-motorrijtuigverzekering nog zodanig verschilt, dat daardoor het vrije verkeer van personen en van verzekeringsdiensten wordt belemmerd. Dat maakt onderlinge aanpassing van deze regels nodig om bij te dragen tot de goede werking van de interne markt. Dit is te lezen als een impliciete verwijzing naar het subsidiariteitsvereiste: onderlinge aanpassing is alleen mogelijk door ingrijpen ‘van bovenaf’.5 Amtenbrink & Vedder merken bij het subsidiariteitsbeginsel op dat dit, door zijn vage bewoordingen, grotendeels beperkt is tot de politieke arena.6
Het proportionaliteitsbeginsel heeft wat meer kanten. Zo houdt het – onder meer – in dat regelend optreden van de EU slechts dan plaats mag vinden als dat nodig is. Bovendien moet de EU de minst ingrijpende van de haar ter beschikking staande instrumenten kiezen: liever een Richtlijn dan een Verordening en binnen de richtlijnen liever een kaderrichtlijn dan een gedetailleerde. Wordt het beginsel door het Hof van Justitie getoetst, dan valt het in drie subbeginselen uiteen. In de eerste plaats moet de maatregel bijdragen aan het bereiken van het beoogde doel. In de tweede plaats mag de gekozen maatregel niet verder gaan dan nodig is om het beoogde doel te bereiken. En tenslotte wordt de doelstelling van de maatregel ook getoetst aan andere belangen die door de EU worden nagestreefd.7
De beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit spelen op autoverzekeringsgebied geen rol van betekenis.