Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/2.6.1
2.6.1 Inleiding
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631745:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze studie staan de privaatrechtelijke rechtspersonen centraal. Zie over bestuurdersaansprakelijkheid en doorbraak van aansprakelijkheid (waaronder vereenzelviging) Bartman/Dorresteijn/Olaerts (2020), nr. 8.1 e.v.; De Groot (2021); Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 440 e.v.; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond (2013), nr. 257 e.v.; en Assink/Slagter (2013), nr. 51-53. Zie voor het onderwerp aansprakelijkheid in een bredere en semipublieke context Jak (2016).
De belangrijkste Nederlandse en Nederlands Caribische rechtspraak, om te beginnen met de Beklamel-zaak, is door mij gebundeld en (deels) van kort commentaar voorzien: Rechtspraakbundel (2020). Die rechtspraak zal in dit hoofdstuk dan ook niet in extenso worden behandeld.
In het kader van met name discussies inzake het concernrecht wordt in dit verband over indirecte doorbraak van aansprakelijkheid gesproken: zo kan bijvoorbeeld een moedermaatschappij uit hoofde van een (eigen) onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens derden voor de schulden van de dochter. Met directe doorbraak wordt het leerstuk vereenzelviging bedoeld, waarbij twee rechtspersonen – uitsluitend in de bij de rechter aanhangige kwestie – als één rechtspersoon worden beschouwd: de ene rechtspersoon wordt dan hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld van de andere rechtspersoon als ware het een eigen schuld. Zie Bartman/Dorresteijn/Olaerts (2020), nr. 8.2; Laagland (2015), nr. 4.2; Mohr (1996), p. 789-790; en mijn noot bij Gerecht in Eerste Aanleg Sint Maarten 8 februari 2011, Cjb 2011/2, p. 116-125 (Workers Institute/Simpson Bay Resort). Wat laatstgenoemde zaak betreft verwijs ik ook naar het vonnis van het GHvJ (Sint Maarten) van 31 augustus 2012, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX8562 (Simpson Bay Resort/Workers Institute), waarin is overwogen dat onvoldoende concreet en onderbouwd is gesteld dat sprake is van misbruik van het identiteitsverschil.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, NJ 2018/330 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2018/234 m.nt. Kraaipoel en de noot van Frielink in: M.V.R. Snel, P.S. Bakker & M.A. Loth (red.), Caribisch Vermogensrecht Geannoteerd, Den Haag: Bju 2020, nr. 22 (Van Nieuwburg c.s./TMF). Dit geldt ook in de Caribische delen van het Koninkrijk: zie GHvJ (Sint Maarten) 13 maart 2015, ghis 69560 – H 300/14, Rechtspraakbundel (2020), nr. 24 (Standard Trust/Seferina en Le Poole q.q.). Zie verder Frielink, Van Eersel en Van der Wulp (2020), hoofdstuk 7.
Timmerman (2017), p. 25-26. Volgens Timmerman (p. 31-32) heeft de Hoge Raad het criterium ingebed in het onrechtmatigheidsoordeel, maar zou het beter bij de aard van het samengesteld beginsel passen om het zowel op de onrechtmatigheid als op de toerekening te betrekken. Met samengesteld beginsel bedoelt hij dat de rechter bij toepassing van de maatstaf alle omstandigheden (verzwarende en verzachtende) in aanmerking moet nemen, maar ook de aard, de ernst en de frequentie van de normschending door de bestuurder en de mate van schuld.
De meest diepgaande (in hoofdzaak dogmatische) studie hierover is die van Westenbroek (2017). Zie ook de opstellen in de Kroeze bundel (2017).
Conclusie in de zaak Van Nieuwburg/TMF d.d. 8 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1419 onder 2.2.5 en 2.2.6.
Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, NJ 2018/330 m.nt. Van Schilfgaarde, en JOR 2018/234 m.nt. Kraaipoel, en de noot van Frielink in: M.V.R. Snel, P.S. Bakker & M.A. Loth (red.), Caribisch Vermogensrecht Geannoteerd, Den Haag: Bju 2020, nr. 22 (Van Nieuwburg/TMF).
Zie Van Schilfgaarde/Winter (2017), nr. 47, en Timmerman (2017), p. 25-27. Zie Westenbroek (2017) voor historische en kritische beschouwingen over de maatstaf “ernstig verwijt”. Westenbroek is van mening dat de dubbele toets (eerst vaststellen of sprake is van onbehoorlijk bestuur, en daarna beoordelen of sprake is van een (persoonlijk) ernstig verwijt), niet past in de systematiek van art. 2:9 BW (nr. 6.7, p. 286-287).
Mulderije (1931), p. 228.
Vgl. Frielink (2007).
Paul Scholten heeft er op gewezen dat bij toepassing van algemeen geformuleerde rechtsregels in een concreet geval een irrationeel of intuïtief element schuilt. Het nemen van een beslissing vergt namelijk een keuze, een “sprong”, waarmee de kloof tussen de abstracte regels en het concrete geval wordt overbrugd. Dit wordt de “sprong van Scholten” genoemd. Dat over “irrationeel” en “intuïtief” wordt gesproken duidt op wat genoemd zou kunnen worden een onwetenschappelijk element, maar de sprong wordt niet willekeurig gemaakt: een intuïtie is immers mede gebaseerd op opleiding, kennis van het recht, training en ervaring. Zie Asser/Scholten Algemeen deel (1974). Zie ook Kwak (2010).
Assink/Slagter (2013), nr. 13, p. 217. Op p. 229 wordt een opsomming gegeven van omstandigheden die bij de beoordeling van bestuurlijk gedrag relevant kunnen zijn.
Kroeze bundel (2017), p. 177.
Strik (2010), nr. 3.3.2.
Strik (2010), nr. 9.5.2. In hoofdstuk 8 gaat zij in op de algemene aspecten van risicomanagement en in hoofdstuk 9 op de aansprakelijkheid voor falend risicomanagement.
Zie HR 10 januari 1997, NJ 1997/360 m.nt. Maeijer; JOR 1997/29, en Rechtspraakbundel (2020), nr. 2 (Staleman/Van de Ven), waarin dit begrip in dit verband door de Hoge Raad werd geïntroduceerd.
Besturen veronderstelt actief handelen. In Boek 2 BW is een algemeen toetsingskader vastgelegd voor bestuurders (en toezichthouders) bij alle rechtspersonen.1 Het leerstuk onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) kan in dit verband ook tot het toetsingskader worden gerekend. Met behulp van dit toetsingskader kan al het doen en nalaten van een bestuurder worden beoordeeld voor zover daaraan juridische gevolgen zijn te verbinden. Denk in het bijzonder aan het nemen van bestuursbesluiten en het aangaan van rechtshandelingen, maar ook aan elk doen en nalaten, zoals het wel of niet voldoen aan de administratie- en jaarrekeningplicht.
In het geval dat een rechtspersoon wanprestatie pleegt of een onrechtmatige daad, is de rechtspersoon daarvoor zelf aansprakelijk. Onder omstandigheden kunnen de leden van het bestuur naast de rechtspersoon persoonlijk aansprakelijk zijn.
Waar het gaat om bestuurdersaansprakelijkheid kan een onderscheid worden gemaakt tussen drie situaties, die in de hierna volgende paragrafen worden besproken:2
Intern: aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon (art. 2:9 lid 2 BW) (criterium: ernstig verwijt)
Extern: aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad jegens derden (art. 6:162 BW) (criterium: persoonlijk ernstig verwijt)3
Extern: aansprakelijkheid jegens de boedel (faillissement) op grond van art. 2:138/248 BW (criterium: kennelijk onbehoorlijk bestuur)
Wat betreft trustbestuurders die optreden als bestuurder van een (cliënt)rechtspersoon kan worden opgemerkt dat zij in het kader van het leerstuk bestuurdersaansprakelijkheid moeten worden aangemerkt als een volwaardige bestuurder. Het feit dat een trustkantoor als bestuurder optreedt is dus op zichzelf genomen niet relevant, in die zin, dat het niet als ‘verzachtende omstandigheid’ in de beoordeling kan worden betrokken.4
De maatstaf van “ernstig verwijt” geldt, zoals we zullen zien, niet alleen voor de interne bestuurdersaansprakelijkheid (dus van de bestuurder jegens de rechtspersoon), maar ook bij aansprakelijkheid van een bestuurder jegens derden op grond van onrechtmatige daad voor zover hij in die hoedanigheid handelde dan wel sprake is van nalaten.5 In het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement speelt de maatstaf evenzeer een rol. Dit is niet de plaats om een bijdrage te leveren aan het academische debat over deze maatstaf en de vraag of deze als zodanig in de wet had dienen te worden opgenomen.6 Ik kan mij vinden in hetgeen A-G Drijber7 over de maatstaf zelf heeft geschreven:
“Het maatschappelijk verkeer is er m.i. niet mee gebaat voor de aansprakelijkheid van een bestuurder de ‘gewone’ schuld-maatstaf aan te leggen, zoals die geldt voor de primaire aansprakelijkheid van de vennootschap. De ernstig verwijt-maatstaf is bovendien flexibel. Daardoor is de rechter in staat aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot een billijke uitkomst te komen. Daarbij moet rekening worden gehouden met onder meer de aard, de ernst en de frequentie van de normschending door de bestuurder, en de mate van schuld. Een belangrijke vuistregel is ook of voor de bestuurder voorzienbaar was (of had moeten zijn) dat zijn handelen of nalaten tot benadeling van crediteuren van de vennootschap zou leiden; de ‘objectieve wetenschap-maatstaf’. Als daar niet van blijkt, is het moeilijk voorstelbaar dat de bestuurder een ernstig verwijt treft.”
Volgens de Hoge Raad wordt een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde gerechtvaardigd (i) door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en (ii) door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.8 Wat de interne aansprakelijkheid betreft kan als rechtvaardiging uiteraard enkel de onder (ii) genoemde omstandigheid gelden. De ernstig verwijt-maatstaf is niet nodig om bescherming te bieden tegen ‘bad luck’, daartegen biedt de gewone maatstaf reeds bescherming, maar (tot op zekere hoogte) wel tegen verkeerde keuzes die zijn gemaakt.
De eerste vraag die in een aansprakelijkheidszaak moet worden beantwoord is of sprake is van onbehoorlijk bestuur. Er moet sprake zijn van een zekere ernst wat betreft de normschending om van onbehoorlijk bestuur te kunnen spreken. Ondernemen houdt immers in dat risico’s worden gelopen, en bestuurders van een rechtspersoon moeten in beginsel foute beslissingen kunnen nemen zonder daarvoor direct persoonlijk aansprakelijk te zijn. Ruimer geformuleerd: vrij algemeen wordt aangenomen dat de rechtspersoonsvorm aan bestuurders een zekere bescherming dient te bieden, zodat niet iedere wanprestatie of onrechtmatige daad van de rechtspersoon per definitie leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder(s). Dit geldt voor commerciële en mutatis mutandis voor niet-commerciële rechtspersonen, dus ook voor de rechtspersonen waaraan geen onderneming is verbonden. Nadat is vastgesteld dat sprake is van onbehoorlijk bestuur, komt de vraag aan de orde of een individuele bestuurder daarvan (persoonlijk) een ernstig verwijt kan worden gemaakt.9
De maatstaf van “ernstig verwijt” is een aanwijzing voor de rechter, in die zin, dat hij een zekere mate van terughoudendheid dient te betrachten bij het beoordelen van bestuurlijk handelen en nalaten. Een bestuurder moet in die hoedanigheid fouten kunnen maken zonder daarvoor al te snel persoonlijk aansprakelijk te zijn. Dat is op zichzelf niet nieuw. Mulderije10 schreef in 1931:
“De rechter hoedt zich blijkbaar, zoolang er geen redenen zijn om de goede trouw der bestuurders in twijfel te trekken, voor een treden in de beoordeeling van het gevoerde beleid, waarbij men immers licht gevaar loopt de achteraf gebleken slechte uitkomst te zeer te laten medewegen. De gevallen, waarin aansprakelijkheid wèl werd aangenomen, duiden dan ook alle op een niet behoorlijke vervulling der opgedragen taak in dezen zin, dat zij van ernstig plichtsverzuim of gemis aan zorgvuldigheid blijk geven.”
Dat de maatstaf weinig concreet of zelfs vaag is, is op zichzelf genomen juist, maar hangt samen met het feit dat een rechterlijk oordeel uiteindelijk wordt gebaseerd op een waardering van alle relevante feiten en omstandigheden. Bij bestuurdersaansprakelijkheid gaat het om de casuïstiek van het concrete geval. En die gevallen verschillen doorgaans nu eenmaal sterk van elkaar. Bij de toepassing van de eisen van redelijkheid en billijkheid is dat in wezen niet anders.11 Van de rechter wordt dan wel verwacht dat hij zijn uitspraak zodanig motiveert dat die daardoor controleerbaar en navoelbaar wordt.12
In abstracto is niet aan te geven wanneer sprake is van een ernstig verwijt. Dit hangt als gezegd af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. In de literatuur worden diverse gevallen van bestuurlijk doen en nalaten genoemd die zijn aan te merken als een onbehoorlijke taakvervulling en daarom aansprakelijkheid kunnen opleveren, waarvan hier ter illustratie worden genoemd:
een bestuurder vervult zijn taak (in het geheel) niet;13
een bestuurder vervult zijn taak onbehoorlijk wanneer hij onverantwoord heeft gehandeld met de wetenschap dat de rechtspersoon daardoor benadeeld zou kunnen worden;14
een bestuurder vervult zijn taak onbehoorlijk wanneer hij onverantwoord heeft gehandeld met de wetenschap dat derden (schuldeisers van de rechtspersoon) daardoor benadeeld zouden kunnen worden;15
een bestuurder handelt in strijd met bepalingen in de wet en/of de statuten (die de rechtspersoon beogen te beschermen), bijvoorbeeld door het aangaan van een rechtshandeling in strijd met de regeling inzake tegenstrijdig belang; en
het bestuur kiest voor (te) risicovol beleid, doet geen (adequaat) onderzoek naar de risico’s, heeft geen adequate systemen van risicobeheersing, doet geen onderzoek naar incidenten e.d.16
De hier genoemde voorbeelden kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de rechtspersoon en/of jegens derden. De aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon komt in par. 2.6.2 aan de orde en die jegens derden in par. 2.6.3 (faillissement) en in par. 2.6.4 (onrechtmatige daad).
Op deze plaats merk ik vast het volgende op. In het kader van het leerstuk bestuurdersaansprakelijkheid duiden de begrippen ‘ernstig verwijt’ en ‘ernstig persoonlijk verwijt’ erop dat een bestuurder alleen dan aansprakelijk is als hem persoonlijk een verwijt valt te maken.17 Het is een schuldvraag. Aansprakelijkheid treft echter niet alleen de bestuurder (of commissaris) die apert en verwijtbaar is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn functie. Er kan immers sprake zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid van een bestuurder zonder dat deze zelf apert en verwijtbaar is tekortgeschoten in de vervulling van zijn taak, namelijk indien sprake is van het faillissement van de rechtspersoon en het criterium ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’ wordt gehanteerd. De enkele stelling dat een andere bestuurder apert en verwijtbaar is tekortgeschoten disculpeert deze bestuurder dan ook niet. Bij de vervulling van de wettelijke vermoedens18 kan sprake zijn van aansprakelijkheid in situaties waarin geen sprake is van apert en verwijtbaar tekortschieten. Tegelijkertijd geldt dat als daarvan geen sprake is, dat enkele gegeven niet meebrengt dat alle bestuurders (of commissarissen) zich met succes kunnen disculperen.