Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.4.2:4.4.2 Verrijking
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.4.2
4.4.2 Verrijking
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498831:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
PG Boek 6, p. 831; HR 5 september 2008, NJ 2008/481; Engelhard & Van Maanen 1998, p. 313; Linssen 2001, p. 474; Vriesendorp 2012, nr. 311; Mellema-Kranenburg 2009, p. 111-112.
Hoofdstuk 2, par. 2.4.2.1
Hoofdstuk 2, par. 2.4.4.
PG Boek 6, p. 831.
PG Boek 6, p. 831.
PG Boek 6, p. 831.
Van Maanen 2001a, p. 490; Vriesendorp 2012, nr. 311.
Zie ook Van Maanen 2001a, p. 490.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat is een verrijking? Wanneer ontstaat zij? En hoe moet zij worden begroot? In deze subparagraaf onderzoek ik of aan de hand van de literatuur en de parlementaire geschiedenis een antwoord kan worden gegeven op deze vragen.
Vaak wordt gezegd dat iemand is verrijkt als zijn vermogen per saldo is toegenomen. In de parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur wordt opgemerkt dat een vermogen kan toenemen door een toename van het actief, het afwenden van schade, een bevrijding van een schuld en het gebruiken van goederen van een ander of de daarmee verband houdende besparing van uitgaven.1
Deze benadering is echter niet zonder problemen. Dit bleek reeds in hoofdstuk 2 bij de bespreking van het Engelse recht. In het Engelse recht is een objective enrichment vereist. Die kan uit verschillende vormen bestaan, zoals een toename van het actief van het vermogen van de verrijkte en besparingen van noodzakelijke of waarschijnlijke uitgaven.2 Onduidelijkheden ontstaan echter doordat een objectief voordeel tegelijkertijd zowel een vermogenstoename als een besparing kan zijn. Bovendien kan de waarde van de prestatie die leidt tot de vermogenstoename groter of kleiner zijn dan de vermogenstoename zelf.
Een voorbeeld van het samenvallen van een besparing en concrete waardestijging doet zich voor in het volgende geval. A knapt het huis van B op. Het huis staat op de monumentenlijst waardoor B verplicht is het huis in een bepaalde toestand te brengen en te houden. Stel dat A een prestatie verricht die hem € 9.000 kost, terwijl het huis van B hierdoor met € 10.000 in waarde stijgt en de kosten die B bespaart om aan de verplichtingen uit de Monumentenwet te voldoen € 8.000 bedragen. De bedragen voor de besparing, gemaakte kosten en vermogenstoename zijn overigens inwisselbaar; in elke situatie is het naar Engels recht onduidelijk welk bedrag A van B kan vorderen.3 Bovendien is onduidelijk wat het moment is waarop de omvang van de verrijking moet worden vastgesteld. Dat is vooral van belang als moet worden begroot hoeveel het actief van het vermogen van de verrijkte is toegenomen. De waarde van een huis kan voortdurend stijgen. Is dan het moment waarop A werd verarmd doorslaggevend, het moment waarop A de vordering instelt, of het moment waarop de vordering door de rechter wordt toegewezen?
Voor het Nederlandse recht zijn dezelfde vragen relevant indien A in een identieke casus zijn vordering op artikel 6:212 baseert. De parlementaire geschiedenis is op dit punt niet duidelijk. De Toelichting Meijers merkt slechts op dat de vordering ‘meestal’ zal zijn gebaseerd op de omvang van de verrijking op het moment waarop die ontstaat.4 Het ligt mijns inziens voor de hand dat de wijze waarop de verrijking ontstaat, bepalend is voor het moment waarop de verrijking ontstaat en voor de wijze van begroting van de omvang van de verrijking. Wat precies de wijze is waarop de verrijking ontstaat, blijkt echter niet duidelijk uit de parlementaire geschiedenis.
In de parlementaire stukken bij artikel 6:212 wordt over het begrip verrijking verder het volgende opgemerkt:
“De omvang van de verrijking zal veelal kunnen worden berekend door een vergelijking te maken tussen de vermogenstoestand van de verrijkte na het plaatsvinden van de verrijking en diens vermogenstoestand zoals deze zou zijn geweest als de verrijking ten koste van de ander niet had plaatsgevonden.”5
Deze passage is weinig verhelderend; men moet namelijk de verrijking wegdenken om te bepalen wat de verrijking is. Niet duidelijk is wat men dan precies moet wegdenken; de vraag wat een verrijking is, blijft onbeantwoord.
Uit de passage die direct volgt op de hierboven geciteerde passage blijkt echter dat de wetgever een systeem voor ogen stond waarbij de vermogenstoestand van de verrijkte moet worden vergeleken met een denkbeeldige toestand die zou hebben bestaan als een bepaalde gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. Daar wordt opgemerkt:
Mogelijk is dat een verrijkingsfeit zich over een meer of minder langdurige periode uitstrekt, b.v. als het bestaat in het gebruik van een zaak.6
Er bestaan kennelijk verrijkingsfeiten die als gevolg hebben dat een verrijking ontstaat. Een verrijking is dus een gevolg van een oorzakelijk verrijkingsfeit.7 Net zoals bij het spiegelbeeld van verrijking, schade, moet een causaal verband bestaan met een feit. Helaas geeft de parlementaire geschiedenis geen duidelijkheid over de vraag wat die relevante verrijkingsfeiten zijn. Er bestaat ook geen heersende leer aan de hand waarvan kan worden bepaald of een verrijkingsfeit zich heeft voorgedaan en hoe groot de verrijking is die het gevolg is van een dergelijk verrijkingsfeit.8
Ik zal daarom proberen een criterium te formuleren aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een feit een verrijkingsfeit is. Het verrijkingsfeit moet een vermogensverschuiving hebben veroorzaakt. Daarvoor moeten eerst de begrippen ‘schade’ en ‘ten koste van’ nader worden onderzocht, omdat een verrijking in de zin van artikel 6:212 in een voldoende verband dient te staan met de schade van de verarmde. Dit betekent dat het criterium pas kan worden geformuleerd als duidelijk is wat dient te worden verstaan onder ‘schade’ en ‘ten koste van’.