Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.2.2
3.2.2 Historische ontwikkeling
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394708:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 21 mei 1819 (Stb.34), de Wet op het Patentregt; de Wet van 2 october 1893 (Stb. 149) tot heffing ener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten, de Wet op de bedrijfsbelasting; Wet van 19 december 1914, Stb. 563, Wet op de inkomstenbelasting 1914; Wet van 11 januari 1918, Stb. 4, Wet op de Dividend – en Tantièmebelasting 1917. Voor een uiteenzetting van de uitdelingsbelastingen en het historische verloop verwijs ik naar Cursus Belastingrecht, onderdeel VPB 0.0.2.b.1.I en onderdeel VPB 0.0.2.b.1.II, Kluwer, 2014 en J.A.G. van der Geld/F.J. Elsweier/S.A. Stevens, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, FED fiscale studieserie nr. 31, 10e druk, 2014, paragraaf 1.1 en J. Verburg, vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2e druk, Kluwer, 2000, paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3.
Besluit van 26 juli 1940, Stb. 405, Besluit op de winstbelasting 1940.
Besluit van 30 april 1942. Het besluit kende een terugwerkende kracht van bijna anderhalf jaar.
Voor een nadere uiteenzetting van enkele bepalingen die bij Besluit VPB 1942 werden ingevoerd en de reacties daarop verwijs ik naar P.H.J. Essers, Belast verleden, Kluwer 2012, blz. 164-170.
Besluit van 30 april 1942, Besluit op de Vermogensbelasting 1942.
Besluit van 15 augustus 1941, Besluit op de dividendbeperking 1941.
Besluit van 28 april 1942, Stb. 302.
JJ. de Klerck, De ondernemingsbelasting 1942, in P.J.A. Adriani ed., Fiscale ervaringen in bezettingstijd 1940-1945, Amsterdam 1946, blz. 356.
J.M.M.J. Clerx, De afschaffing van de ondernemingsbelasting, MBB 1991/189.
Zie voor een uitgebreide uiteenzetting J.M.M.J. Clerx, De afschaffing van de ondernemingsbelasting, MBB 1991/189.
Zie de verwijzing van P.H.J. Essers, Belast verleden, Kluwer 2012, blz. 192 naar H.J. Hofstra, ‘De ontwikkeling van het Nederlandse belastingstelsel gedurende de bezetting’, De NV 1944-1946, nr. 6/7, blz. 93-97. Het is overigens opmerkelijk dat Hofstra in eerste instantie van mening was dat een ondernemingsbelasting niet past binnen het Nederlandse stelsel, maar op een later moment probeerde om de afschaffing van de ondernemingsbelasting te verhinderen. Zie hierover uitgebreid J.M.M.J. Clerx, De afschaffing van de ondernemingsbelasting, MBB 1991/189.
Wet van 8 oktober 1969, Stb 445, Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Brüll constateerde dat de vernieuwing van de vennootschapsbelasting haar einde had gevonden, J. Brüll, Het einde van de vernieuwing in de vennootschapsbelasting, TVVS november 1968, blz. 317 e.v. Grappenhaus vergeleek de wetgevingsarbeid aan de vennootschapsbelasting met het doen van oude wijn in nieuwe zakken, Handelingen Tweede Kamer 5 juni 1969, blz. 3084 rk.
Vergelijk J. Verburg, de vennootschapsbelasting Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 2.8.
Vergelijk J.A.G. van der Geld/F.J. Elsweier/S.A. Stevens, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, FED fiscale studieserie nr. 31, 10e druk, Kluwer 2014, paragraaf 1.1.
De winstbelasting van lichamen in Nederland was tot 1940 te duiden als een zogenoemde uitdelingsbelasting, hetgeen wil zeggen dat de winst niet werd belast op het moment dat zij werd behaald, maar op het moment waarop zij werd uitgedeeld.1 In 1940 schakelde Nederland over op een winstbelasting, waarbij de winst werd belast op het moment dat zij werd behaald. Het Besluit op de winstbelasting (Besluit Winstbelasting 1940)2 was van 1940 tot 1941 van toepassing. Het Besluit is enige tijd later vervangen door het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 (Besluit VPB 1942)3, dat van 1 januari 1941 tot 1 januari 1970 heeft gegolden. Het Besluit VPB 1942 vertoonde, niet geheel verwonderlijk vanwege de Duitse bezetting, duidelijke overeenkomsten met de Duitse Körperschaftsteuer.4 In 1942 werd tevens een vermogensbelasting5 voor vennootschapsbelastingplichtige lichamen ingevoerd, een superdividendbelasting6 en een ondernemingsbelasting (Gewerbesteuer).7
De ondernemingsbelasting werd geheven naast de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting en was van toepassing op ondernemingen ongeacht hun rechtsvorm. De belasting kende twee grondslagen. Er werd belasting geheven over de bedrijfsopbrengst en het bedrijfskapitaal. De gemeente waarbinnen de onderneming werd uitgeoefend, kreeg de opbrengsten. De Klerck geeft aan dat in de Telegraaf van 6 mei 1942 het volgende als rechtvaardiging voor de ondernemingsbelasting werd aangevoerd: “aan de ondernemingsbelasting ligt ten grondslag de gedachte dat elk bedrijf door zijn vestiging van bedrijfsruimten en het aldaar wonen van zijn arbeiders de gemeente te zijner behoeve voor zekere uitgaven stelt (politie, wegen, scholen, sociale maatregelen, enz.’’.8 Voor de Duitsers was het belangrijkste dat ze met invoering van een Gewerbesteuer bewerkstelligden dat het bedrijfsleven in Nederland in dezelfde positie kwam te verkeren als het Duitse bedrijfsleven.9 Na de oorlog werd er veel gediscussieerd over vernieuwingen op belastinggebied. De ondernemingsbelasting werd met ingang van het belastingjaar 1950 in haar geheel afgeschaft (onder een gelijktijdige verhoging van het vennootschapsbelastingtarief).10 De voornaamste reden voor het afschaffen van deze belasting was het stimuleren van investeringen (industrialisatiepolitiek) en de overweging dat een ondernemingsbelasting niet zou thuishoren in het Nederlandse stelsel dat gebaseerd is op draagkracht.11 In hoofdstuk 3.2.5.3 ga ik nader in op de ondernemingsbelasting.
De discussie over vernieuwingen op belastinggebied leidde niet tot andere concrete hervormingen ten aanzien van de winstbelastingen van lichamen. Het Besluit VPB 1942 werd pas op 1 januari 1970 vervangen door de huidige Wet op de vennootschapsbelasting 1969.12 De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 werd niet als vernieuwend gezien.13 De veranderingen ten opzichte van het Besluit VPB 1942 waren meer technisch van aard.14 Na het einde van de oorlog duurde het dus een hele tijd voordat Nederland met een eigen nationale vennootschapsbelasting kwam en daarnaast bleek deze nieuwe vennootschapsbelastingwet voort te borduren op de eerdere besluiten.15 Hieruit blijkt mijns inziens dat de door Duitsland ingevoerde fiscale regelgeving voor het overgrote deel bevredigend werd gevonden. De Wet VPB 1969 is vanaf de invoering in 1970 een groot aantal keren gewijzigd. De laatste grote herziening in de vennootschapsbelasting was in 2007 (Wet werken aan winst). Een belangrijk gevolg van de herziening was een tariefsverlaging (van 29,6% naar destijds 25,5%) die gefinancierd werd met grondslagverbredende maatregelen. Het doel van de tariefsverlagingen was meer bedrijven (winstgrondslag) in Nederland te houden en om meer bedrijvigheid aan te trekken. Nederland moest terugkomen op de shortlist van investeerders.16 Op 10 oktober 2017 heeft de nieuwe regering het regeerakkoord voor de komende vier jaren bekend gemaakt, met daarin de nodige fiscale plannen. Om het vestigingsklimaat ook in de toekomst fiscaal aantrekkelijk te houden wordt het tarief van de vennootschapsbelasting verder verlaagd. Het tarief over de eerste € 200.000 fiscale winst wordt stapsgewijs verlaagd van 20% naar uiteindelijk 16% (in 2021) en het tarief over de fiscale winst daarboven wordt stapsgewijs verlaagd van 25% naar 21% (in 2021). De tariefsverlagingen worden (deels) gefinancierd met een aantal grondslagverbredende maatregelen, zoals de beperking van verliesverrekeningstermijnen en afschrijvingsmogelijkheden op gebouwen.
Op (het historische verloop van) de relevante wetswijzigingen van de diverse rechtsregels wordt hierna in het onderzoek nader ingegaan als de regels in het desbetreffende hoofdstuk inhoudelijk worden behandeld.