Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/30
30 Verenigde Staten
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371376:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Van de 442 ondernemingen in de Verenigde Staten die Taussig en Barker onderzochten: “No more than 5 per cent of all appeared to have a regular method for extra compensation. These were almost wholly the larger corporations. Four per cent reported irregular payments, made apparently without system. Still another 4 per cent reported an occasional payment of a lump sum. Including all cases, the whole number reporting extra compensation for management was but 13 per cent.” Taussig & Barker 1925, p. 29.
Taussig & Barker 1925, p. 28.
Landry 1995, p. 24. De gewoonte om een bestuurder met een vast salaris te bezoldigen in de Verenigde Staten ziet men al terugkomen bij de ‘Railroads’. De spoorwegen waren de eerste ondernemingen in de VS waarin bestuurders buiten de directe kring van investeerders aangenomen moesten worden, omdat de hoeveelheden kapitaal en toezicht die nodig waren een gewone bedrijfsvoering te buiten ging. Toen de spoorwegen vanaf 1840 uit begonnen te breiden, creëerden de initiële investeerders verschillende lagen van managers om tegemoet te komen aan de eisen van hun geografisch wijdverspreide onderneming. Deze managers kregen naast bijna volledige autonomie over hun regio, tevens een vast salaris. Landry 1995, p. 7 en 27-32.
Zie Walker 1887, p. 274. Zie ook Taussig en Barker 1925, p. 28. “these owner-managers allow themselves salaries in the same way as if they were quite distinct from the owners. These salaries, too, are firm year after year, and exhibit the same regularity, size for size, as under other conditions of ownership. Consciously or unconsciously the managers, even when they are owners, seem to recognize a distinction such as so many economists make between wages of management and ‘pure profits’.”
De Amerikaanse praktijk was dus gebaseerd op de dualistische visie en niet op de monistische visie van winst.
In Duitsland was de vorm van dergelijke contracten voor alle ‘Aktiengesellschaften’ zelfs nagenoeg uniform.
De aanstelling was “in a rough way, […] on good behavior; the appointment is understood, whatever the exact legal relation, to last indefinitely. Yet it is subject to change at short notice if the stockholders (that is, the directors) become dissatisfied. The Continental contract, on the other hand, is elaborately and carefully drawn, and provides unequivocally, not only for the salary, but for the tantième.” Taussig & Barker 1925, p. 44/45. Opgemerkt dient te worden dat ook in Europa de bestuurder, ondanks zijn schriftelijke aanstelling, te allen tijde kon worden ontslagen. Zie voor Nederland bijvoorbeeld het toen geldende art. 44 WvK, waarin expliciet opgenomen was dat de bestuurders niet onherroepelijk mochten worden aangesteld. Ook uit het feit dat een ontslagvergoeding aangepast moest kunnen worden blijkt duidelijk de wens van de wetgever dat bestuurders te allen tijde ontslagen moesten kunnen worden door de AVA. Een ontslagvergoeding mocht niet in de weg staan aan de wil van de AVA om een bestuurder te ontslaan. Halverwege de jaren ’30 zou het ook in de Verenigde Staten staande praktijk worden om de aanstelling van bestuurders in een contract op te nemen. “The executive head of a large corporation might formerly have been content to serve from year to year on a salary fixed at the beginning of each year by simple resolution of the directors. Today, he is likely to ask for a carefully prepared contract giving him several years’ tenure […].”Washington 1940, p. 35.
In tegenstelling tot in Europa ontvangen de bestuurders in de Verenigde Staten in de regel slechts een vooraf overeengekomen vast salaris, zonder een vorm van bonus of winstdeling.1
“[…] payments additional to the stated salary and based on the net earnings are universal in Continental Europe. They are frequent also in British manufacturing industries. It is familiar that in the United States no such system is in general use.”2
In de Verenigde Staten is de winst dus – conform de traditionele opvatting over eigendomsrechten – daadwerkelijk voorbehouden aan de aandeelhouders. De bezoldiging van bestuurders is derhalve stabiel en wordt behandeld als een regulier salaris, gelijk aan het salaris van de gewone werknemer. In vergelijking met het niveau van het vaste salaris in Europa, is het salaris van de bestuurder in de Verenigde Staten genereus.3
Opvallend is, dat ook in het geval de bestuurder nog grotendeels aandeelhouder is van de onderneming, de salarissen op dezelfde manier worden vastgesteld als in de ondernemingen waar sprake is van een scheiding tussen het bestuur en de aandeelhouders.4 De gewoonte om met een vast salaris te bezoldigen is derhalve wijdverbreid in de Verenigde Staten. De omissie van winstdelingen is op zijn minst opmerkelijk te noemen gezien de door Taussig gelauwerde ‘American principles of individualism’. Juist vanwege het feit dat het individualisme hoogtij viert in de Verenigde Staten vinden Taussig en Barker het opmerkelijk dat de individuen aan de top niet meedelen in de winsten die zij mede helpen creëren. Desalniettemin staat de bezoldiging van bestuurders in de Verenigde Staten voor de Eerste Wereldoorlog in zijn geheel los van de winst.5
Naast de verschillen in bezoldigingspraktijk, kent men tussen Europa en de Verenigde Staten ook een verschil in de wijze waarop de aanstelling van de bestuurder is geregeld. In Europa wordt alles schriftelijk vastgelegd, waarbij ook een aanstellingstermijn (van meestal vijf jaren) wordt opgenomen.6 In de Verenigde Staten – daarentegen – is het overeenkomen en schriftelijk vastleggen van een termijn niet gebruikelijk. Hierdoor gaat een bestuurder weliswaar een contract aan voor onbepaalde tijd, maar kan hij gemakkelijker worden ontslagen.7