Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.1
2.1 Inleiding
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859274:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90.
In art. 4:3 BW wordt zowel het begrip ‘overledene’ gebruikt als de term ‘erflater’. Minister Polak deelt de mening van de Bijzondere Commissie voor herziening van het Burgerlijk Wetboek dat aan het verschillende woordgebruik geen invloed valt toe te kennen. De minister verwacht van deze wisselende terminologie geen moeilijkheden en tot een aanpassing komt het niet, Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 93-94. Ondanks het feit dat de minister terecht opmerkt dat het wisselende woordgebruik niet tot moeilijkheden leidt, is het een gemiste kans dat niet is gekozen voor de hantering van een en dezelfde term. Door in hetzelfde artikel zowel te spreken van ‘overledene’ als ‘erflater’ is sprake van een stijlbreuk. Dat had voor de minister voldoende aanleiding moeten zijn een lijn te trekken.
Vgl. hierover ook Klaassen/Luijten & Meijer 2008, p. 10 en Van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 43. Deze wijzigingen komen nader aan de orde bij de bespreking van de afzonderlijke onwaardigheidsgronden in par. 2.2 tot en met 2.6. Par. 3.4 legt zich toe op derdenbescherming en H4 op de vergeving.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 93-95 en Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1166. Vgl. ook Asser/Perrick 4 2021/24, Van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 30, Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, p. 25 en F. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 258-259. Zie hierover ook par. 3.2.
Kamerstukken II 1999/00, 26822, nr. 3, p. 3 (MvT).
Op 1 januari 2003 is afscheid genomen van de artikelen 885 – 887 OBW en artikel 959 OBW. Met artikel 4:3 BW is daar een algemene onwaardigheidsbepaling voor teruggekeerd. De regeling uit het versterferfrecht en het testamentaire erfrecht is hierin samengetrokken.1Artikel 4:3 BW luidt als volgt:
‘1. Van rechtswege zijn onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken:
hij die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht hem om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen;
hij die onherroepelijk veroordeeld is wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, dan wel wegens poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf;
hij van wie bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat hij tegen de erflater lasterlijk een beschuldiging van een misdrijf heeft ingebracht, waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is gesteld;
hij die de overledene door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken;
hij die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.
Rechten door derden te goeder trouw verkregen voordat de onwaardigheid is vastgesteld worden geëerbiedigd. In geval echter de goederen om niet zijn verkregen, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen.
Een onwaardigheid vervalt, wanneer de erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft vergeven.’2
Een snelle blik op deze bepaling leert dat de onwaardigheidsgronden op onderdelen zijn gewijzigd en uitgebreid. Daarnaast is een aantal nieuwe regels toegevoegd. Dit betreft de onwaardigheidsgrond in lid 1 sub b, het derdenbeschermend voorschrift uit lid 2 en de ondubbelzinnige vergeving uit lid 3.3
De bepaling uit artikel 887 OBW die de onwaardige de bevoegdheid ontneemt het ouderlijk vruchtgenot te vorderen, lijkt op het eerste gezicht vervallen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt echter het tegendeel. Het begrip ‘voordeel’ uit de aanhef van artikel 4:3 BW omvat mede het ouderlijk vruchtgenot.4
De verplichting van de onwaardige erfgenaam tot teruggave van alle reeds genoten vruchten en inkomsten uit artikel 886 OBW is in artikel 4:3 BW niet teruggekeerd. De regeling van artikel 3:121 e.v. BW is hiervoor in de plaats gekomen.5 Deze artikelen uit de titel ‘bezit en houderschap’ handelen kort gezegd over bezit niet te goeder trouw en de rechtsgevolgen daarvan.
In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de verschillende onwaardigheidsgronden uit artikel 4:3 lid 1 BW geanalyseerd (par. 2.2-2.6). De hiervoor gesignaleerde veranderingen ten opzichte van het OBW komen daarbij nader aan de orde. Naast deze vijf wettelijke gronden doet de derogerende werking van de redelijkheid in bepaalde gevallen dienst als grondslag om een persoon te diskwalificeren als erfrechtelijke verkrijger. Aan uitsluiting in deze gevallen wordt tevens aandacht besteed (par. 2.7). De eisen van redelijkheid en billijkheid sluiten de spiegelbeeldige situatie niet uit inhoudende dat een onwaardige toch mag erven. Deze materie wordt kort uitgelicht (par. 2.8). Vervolgens wordt stilgestaan bij de vraag of artikel 4:3 BW gewijzigd dient te worden naar een meer open norm (par. 2.9). Hierna wordt aandacht besteed aan overgangsrecht (2.10). Het hoofdstuk sluit af met een korte conclusie (par. 2.11).