Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.7.2:1.7.2 Exploratief onderzoek
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.7.2
1.7.2 Exploratief onderzoek
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS441127:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gribnau, Lubbers & Vording, 2009.
Dit is een enigszins subjectief proces, omdat de onderzoeker zelf zal moeten bepalen wanneer hij/zij van mening is dat hij over voldoende onderzoeksmateriaal beschikt. Het is daarom van belang zo transparant mogelijk te zijn over in dit proces gemaakte keuzes.
Saunders, Lewis & Thornhill, 2011, p. 276-284.
De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs is niet ingegaan op mijn verzoek om een expertinterview.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omdat de heffingsmethoden nog niet systematisch zijn onderzocht, heeft dit onderzoek vooral in de beginfase een sterk oriënterend of exploratief karakter.1 Het benodigde materiaal moet in kaart worden gebracht of zelfs nog worden gegenereerd (zoals bijvoorbeeld een overzicht van de belastingen die tot nu toe in Nederland zijn ingevoerd). Aan de hand hiervan kan het juridisch doctrinaire onderzoek vervolgens van start gaan. In feite is hier sprake van een iteratief proces. Dit houdt in dat er net zo lang wordt doorgegaan met het verzamelen van data totdat de onderzoeker genoeg2 informatie heeft om te kunnen komen tot het uitvoeren van analyses en het opstellen van hypotheses. Als er nog niet genoeg informatie is, kan er teruggegaan worden naar voorgaande stappen in het onderzoeksproces om meer data te verzamelen. Daar waar literatuur ontbreekt kan naar andere bronnen gezocht. Dit zijn onder andere experts. Daarbij vindt het onderzoek vaak plaats in de vorm van het afnemen van interviews.3
In dit onderzoek ben ik er op een gegeven moment toe overgegaan om vier expertinterviews af te nemen. Dit met als doel om – als aanvulling op de geraadpleegde literatuur – van hen te vernemen hoe zij de verschillen zien tussen de heffingsmethoden. Ook heb ik hen gevraagd hoe keuzes tussen heffingsmethoden in de praktijk worden of zouden moeten worden gemaakt. In de literatuur is hier nagenoeg geen informatie over te vinden, terwijl het voor dit onderzoek van belang is om daar meer inzicht in te verkrijgen. Dit heb ik gedaan aan de hand van kwalitatieve, semigestructureerde interviews waarvan de vragen niet volledig vastlagen.4 De geïnterviewden heb ik daartoe vooraf een vragenlijst toegezonden waarop ze vrij konden antwoorden. Deze vragenlijsten fungeerden om die reden als de start voor de gesprekken die ik, samen met een persoon die gespreksaantekeningen maakte, had met de geïnterviewden. Afhankelijk van de antwoorden die de geïnterviewden op de voorgelegde vragen gaven, heb ik andere of verdiepende vragen gesteld om zo van het gesprek te kunnen leren en flexibel in te kunnen spelen op de gegeven antwoorden. De personen met wie ik heb gesproken, heb ik geselecteerd op basis van hun deskundigheid en hun positie (en daarmee de informatie waarover ze beschikken) binnen de organisaties waarin ze werkzaam zijn of waren. Daarbij heb ik gekozen voor verschillende organisaties (directoraat-generaal voor Fiscale Zaken (Ministerie van Financiën), ondernemers c.q. belastingplichtigen, belastingadviseurs en Belastingdienst). Dit met als doel een zo breed en compleet mogelijk beeld te krijgen van de achtergronden en de belangen die een rol kunnen spelen bij het vraagstuk rondom de keuze van de heffingsmethoden.5
De eerste geselecteerde expert, Edwin Visser, was werkzaam (destijds in de rol van directeur Directe Belastingen en plaatsvervangend directeur-generaal) bij het directoraat-generaal voor Fiscale Zaken (DGFZ). Dit organisatieonderdeel van het Ministerie van Financiën houdt zich bezig met het voorbereiden van het fiscale beleid en de voorbereiding van de fiscale wetgeving. De tweede expert is werkzaam bij VNO-NCW en MKB-Nederland; ondernemingsorganisaties die de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven (belastingplichtigen) behartigen op zowel nationaal als internationaal niveau. Dit betreft Jeroen Lammers (destijds manager Fiscaliteit, Ondernemersrecht en Corporate Governance). Het derde interview heb ik afgenomen bij het Register Belastingadviseurs (RB); een beroepsvereniging die de (vaktechnische) belangen behartigt van circa 7.500 aangesloten leden (belastingadviseurs). Die leden zijn veelal werkzaam voor het midden- en kleinbedrijf en voor particulieren. Gesprekspartners waren Ruud Zuidgeest (destijds hoofd Bureau Vaktechniek) en Peter Goossens (medewerker Bureau Vaktechniek). Ten slotte heb ik een interview afgenomen met een expert werkzaam bij het directoraat-generaal Belastingdienst (DGBel). Dit onderdeel van het Ministerie van Financiën bestuurt de uitvoering van de belastingwetgeving, inclusief de douanewetgeving en de niet-fiscale wetgeving die de Belastingdienst uitvoert. Deze expert was Theo Poolen, destijds lid van het managementteam Belastingdienst, belast met de portefeuille fiscaliteit (Chief Fiscal Affairs Officer). De inspecteursvereniging (VHMF) heb ik niet benaderd voor een expertinterview. De reden daarvoor is dat deze vereniging door de tijd heen verschillende rapporten heeft uitgebracht waarin ze heeft uiteengezet welke keuze ten aanzien van de heffingsmethode van de inkomstenbelasting en/of de vennootschapsbelasting in haar ogen de voorkeur heeft. Het laatste rapport daarover verscheen in 2012 en mij zijn geen uitlatingen bekend waaruit blijkt dat de vereniging haar standpunten inmiddels heeft herzien. De opvattingen van de inspecteursvereniging zijn daardoor goed af te leiden uit de geschreven bronnen.
De door de geïnterviewden goedgekeurde gespreksverslagen zijn integraal opgenomen in bijlage 1 van dit proefschrift. In het onderzoek heb ik deze verslagen ook als bron gebruikt. Waar dat aan de orde is, verwijs ik naar de betreffende verslagen.