Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.3.0
6.9.3.0 Introductie
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS455271:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1992/93, 22647, 11, p.134; Kamerstukken II 1992/93, 22647, 13, p. 103; Handelingen II 1992/93, 18, p. 1311; Kamerstukken I 1992/93, 22647, 86c, p. 27.
Zie par. 9.6.1.
Kamerstukken II 1991/92, 22647, 8, p. 16; Kamerstukken II 1992/93, 22647, 11, p.137; Kamerstukken II 1992/93, 22647, 13, p. 113; Kamerstukken I 1992/93, 22647, 86c, p. 24.
Kamerstukken II 1991/92, 22647, A, p. 56; Kamerstukken II 1991/92, 22647, 8, p. 17.
Zie ook: Burkens e.a. 2017, p. 394-399.
Kamerstukken II 1992/93, 22647, 13, p. 117.
Zie bijvoorbeeld: Handelingen II 1996/97, 39, p. 3215, 3217, 3232 (naar aanleiding van het Stabiliteits- en Groeipact); Handelingen II 1997/98, 74, p. 5535 (naar aanleiding van de derde fase van de EMU).
Kamerstukken II 1992/93, 22647, 13, p. 117.
Een laatste punt dat opvalt aan de parlementaire behandeling van de goedkeuringswet van het Verdrag van Maastricht betreft de hoeveelheid kritiek die Kamerleden al ten tijde van de ratificatie over dit verdrag uitten. Hoewel dit punt geen gevolgen heeft voor de (formele of materiële) invulling van het budgetrecht, is het interessant om te zien dat een groot deel van deze kritiek later, met name gedurende de eurocrisis, een steeds groter wordende rol is gaan spelen in de debatten over de EMU. De discussies ten tijde van de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht vertonen op sommige punten een grote overeenstemming met die tijdens de eurocrisis. Verschillende aspecten van die discussies zijn de moeite waard om uit te lichten.
Ten eerste werd al ten tijde van de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht gewezen op de problematische kanten van een Europees monetair beleid in combinatie met een nationaal economisch beleid.1 Niet alleen is het daardoor lastiger om monetair beleid te voeren dat aansluit bij de economische posities van de verschillende eurolanden, maar ook wordt het gebrek aan Europese economische integratie vaak als een van de belangrijkste oorzaken gezien voor het ontstaan en de ontwikkeling van de eurocrisis. Daarnaast werd het gevaar van een gemeenschappelijk monetair beleid met een nationaal toezicht op het internationaal opererende bankwezen al vroeg onderkend.2 Juist deze discrepantie leidde tot de oprichting van de bankenunie, nadat tijdens de eurocrisis was gebleken welke grote gevolgen dit kon hebben.3
Verder uitten verschillende Kamerleden kritiek op de criteria en grenzen die het verdrag in het leven roept.4 Met name de convergentiecriteria, die gebruikt werden om te beoordelen of een lidstaat klaar was voor de start van de derde fase van de EMU, en de grenzen in het kader van de buitensporigtekortprocedure (de drieprocentsnorm voor het overheidstekort en de zestigprocentsnorm voor de staatsschuld) stonden bloot aan kritiek. Ook werd gewaarschuwd voor manipulatie van lidstaten om aan deze criteria en grenzen te voldoen.5 Precies deze punten keerden jaren later terug in de discussies over de eurocrisis.6
Ook wezen verschillende Kamerleden op de moeilijkheden die de sancties in het kader van de buitensporigtekortprocedure konden opleveren. Zo vroeg de CDA-fractie zich af of ‘de situatie denkbeeldig is dat een in gebreke blijvende lidstaat geen sancties worden opgelegd en of niet het gevaar dreigt dat het sanctiebeleid een farce wordt’.7 In de parlementaire stukken over latere stappen van Europese integratie komen hierover steeds dezelfde punten terug, zoals de vraag of er ooit boetes zullen worden opgelegd aan de grote EU-landen en de kwestie of het niet vreemd is dat er een boete wordt opgelegd aan een land dat juist een buitensporig tekort heeft.8 In reactie op de vraag van de CDA-fractie bleek de regering echter weinig problemen te zien in de sancties:
‘In een EMU kan falend beleid van één lidstaat […] gevolgen hebben voor de andere Lid-staten. Als die gevolgen ernstig zijn, zullen de overige lidstaten zich dus ter bescherming van hun eigen belang wel gedwongen voelen om uiteindelijk ook sancties op te leggen.’9
Het eerste deel van deze redenering, dat slecht economisch beleid in één lidstaat gevolgen kan hebben voor andere lidstaten, is zonder meer juist gebleken. Het tweede deel, dat de overige lidstaten zich daarom gedwongen zullen voelen om sancties op te leggen, bleek echter al snel te optimistisch.