Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.4.4.2
7.4.4.2 Een ‘tussengeschoven’ stichting als executeur
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232240:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin J.A. Booij, ‘Aansprakelijkheid van de executeur’, FBN 2012/24.
HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2149, BNB 2014/215, m.nt. J.J. Vetter; HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:480, BNB 2016/112, m.nt. J.J. Vetter. Ten aanzien van risicoaansprakelijkheid heeft de Hoge Raad in gelijke zin geoordeeld, HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2733, NTFR 2016/3012, m.nt. M.J.A. Castelijn.
Zie voor de Invorderingswet 1990, R.M.P.G. Niessen-Cobben, Wegwijs in de Invordering, Den Haag: Sdu Uitgevers 2014.
Voor een buitenlands lichaam zie ik nog een andere mogelijkheid, die van artikel 33 lid 1 letter b Inv. Wet 1990. Op grond van deze bepaling is aansprakelijk voor de rijksbelastingen de leider van de Nederlandse vaste inrichting van een in het buitenland gevestigd lichaam dan wel zijn in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger. Artikel 47 lid 1 Inv. Wet 1990 leidt tot een eigen schuld van de executeur voor een rijksbelasting. Hiervoor kan dan de leider van het buitenlands lichaam/executeur persoonlijk aansprakelijk zijn.
Zie over artikel 20 lid 2 AWR, M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte (FM nr. 114), Deventer: Kluwer 2005, p. 306 e.v.; S.F. van Immerseel, ‘Naheffing bij anderen dan de inhoudingsplichtige’, WFR 2008/974; T.F.H. Reijnen, ‘De aansprakelijkheid van de notaris voor de overdrachtsbelasting’, FBN 2010/4 en FBN 2017/39.
Vgl. Rechtbank Gelderland 28 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2016:5312, JOR 2017/205.
Een erflater die niet wil vertrouwen op de disculpatiemogelijkheid voor de executeur uit artikel 47 lid 2 Inv. Wet 1990 zou kunnen overwegen een stichting bij dode op te richten en deze stichting tot executeur te benoemen. De persoon die de erflater werkelijk op het oog heeft als executeur, kan hij benoemen tot bestuurder van de executeur/stichting. Indien de executeur een stichting is, dan rust de wettelijke verplichting en aansprakelijkheid op die rechtspersoon en niet op zijn bestuurders.1
Voor de stelling dat op de bestuurders van een stichting als executeur geen persoonlijke aansprakelijkheid rust, kan een aantal argumenten worden aangedragen.
Het eerste argument is dat de wet spreekt van ‘executeur’. De bestuurder van een stichting is niet de executeur, dat is de rechtspersoon zelf. Dit lijkt ook de mening te zijn van de staatssecretaris van Financiën in de discussie rond de vraag of de begrafenisexecuteur aansprakelijk is voor de erfbelasting. De staatssecretaris merkt daarbij op dat de aangifteverplichting voor de erfbelasting ligt bij degene die belast is met de uitvoering van de uiterste wilsbeschikkingen. De begrafenisexecuteur valt daar niet onder, ook niet als hij handelt als gevolmachtigde van de erfgenamen.2 Kennelijk is ook de staatssecretaris van mening dat het gaat om de formele uitvoerder van de uiterste wilsbeschikkingen.
Een ander argument is dat in het aansprakelijkheidsrecht geldt dat iedereen in beginsel alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk is, behoudens welomschreven, op de wet gebaseerde, uitzonderingen.3 De Invorderingswet 1990 kent geen aansprakelijkheid voor bestuurders van een rechtspersoon voor de erfbelasting, zoals die wel bestaat voor de door een rechtspersoon verschuldigde belastingen voor, bijvoorbeeld, de aansprakelijkheid voor de loonbelasting, omzetbelasting en een aantal accijnzen (artikel 36 Inv. Wet 1990).4
Wil dit nu zeggen dat ik van mening ben dat een bestuurder van een executeur/stichting nimmer kan worden geconfronteerd met aansprakelijkheid voor de erfbelasting over ‘Edelweissvermogen’? Het antwoord daarop is ontkennend. Voor een bestuurder van een Nederlandse stichting5 zie ik drie gevallen waarin tot aansprakelijkheid zou kunnen worden geconcludeerd.
Het eerste geval is toepassing van artikel 20 lid 2 AWR. Op grond hiervan kan een naheffingsaanslag niet alleen worden opgelegd aan de belastingplichtige, maar ook aan een ander als ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet te weinig belasting is geheven.6
Het tweede geval van persoonlijke aansprakelijkheid betreft de externe bestuurdersaansprakelijkheid, zoals besproken in 6.4.1.1. Ten aanzien van de niet-betaalde erfbelasting kan van bestuurdersaansprakelijkheid sprake zijn als de bestuurder in ernstige mate is tekortgeschoten in zijn onderzoek naar verzwegen vermogen, zodanig dat hem daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Dit is daarmee een geheel ander criterium dan dat hij aannemelijk moet maken dat hem geen verwijt treft.
Het andere geval is de zelfstandige eigen onrechtmatige daad verricht door de bestuurder van de executeur/stichting. Dit zijn de gevallen als bedoeld in het Spaanse Villa-arrest, besproken in 6.4.1.2.2. Voor aansprakelijkheid wegens de niet betaalde erfbelasting zie ik hier alleen dan een mogelijkheid als de bestuurder wist van het verzwegen vermogen en niettemin de executeur/stichting hiervan geen aangifte doet. De bestuurder is dan uit eigen hoofde aansprakelijk wegens onrechtmatige daad en daarnaast zal ook de stichting aansprakelijk zijn omdat de wetenschap van de bestuurder wordt toegerekend aan de stichting.7
In tegenstelling tot artikel 47 lid 1 Inv. Wet 1990 betreft het in deze drie door mij behandelde gevallen echter geen risicoaansprakelijkheid maar schuldaansprakelijkheid.