Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.8.7.2
3.8.7.2 Duidelijke wet- en regelgeving
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396046:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 10 maart 2009, C-234/06 (Heinrich), Jur. 2009, p. 1-1659, AB 2009, 114, m.nt. H. van Eijken en M.J.M. Verhoeven, r.o. 44; HvJEG 11 december 2007, C-161/06 (Skoma-Lux), Jur. 2007, p. 1-10841, AB 2008, 91, m.nt. R. Ortlep, r.o. 38; HvJEG 21juni 2007, C-158/06 (Stichting ROM), AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden, r.o. 25. Zie voorts Hofmann, Rowe & Tlirk 2011, p. 175-176; Tridimas 2006, p. 242. Zie ook de Handleiding Wetgeving en Europa 2009, p. 86.
HvJEG 10 maart 2009, C-345/06 (Heinrich), Jur. 2009, p. 1-1659, AB 2009, 114, m.nt. H. van Eijken en M.J.M. Verhoeven, r.o. 44; HvJEG 21 juni 2007, C-158/06 (Stichting ROM), AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden, r.o. 25; HvJEG 26 oktober 2006, C-248/04 (Cosun), Jur. 2006, p. 1-10211, r.o. 79; HvJEG 13 februari 1996, C-143/93 (Van Es Douane Agenten), Jur. 1996, p.1-431, r.o. 27; HvJEG 22 februari 1989, gevoegde zaken 92/87 en 93/87 (Commissie/Frankrijk, Verenigd Koninkrijk), Jur. 1989, p. 405, r.o. 22; HvJEG 9juli 1981,169/80 (Goedrand Frères), Jur. 1981, p. 1-1931, r.o. 17.
HvJEG 10 maart 2009, C-345/06 (Heinrich), Jur. 2009, p. 1-1659, AB 2009, 114, m.nt. H. van Eijken en M.J.M. Verhoeven.
HvJEG 10 maart 2009, C-345/06 (Heinrich), Jur. 2009, p. 1-1659, AB 2009, 114, m.nt. H. van Eijken en M.J.M. Verhoeven, r.o. 47. Het Hof is van oordeel dat belanghebbenden, zo nodig, aan de nationale rechterlijke instanties moeten kunnen verzoeken na te gaan of nationale maatregelen ter uitvoering van een communautaire verordening met deze verordening verenigbaar zijn. Dit is uiteraard niet mogelijk als de verordening niet is bekendgemaakt.
HvJEG 10 september 2009, C-201/08 (Plantanol), Jur. 2009, p. 1-8343, r.o. 46; HvJEG 21 juni 2007, C-158/06 (Stichting ROM), AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden, r.o. 26; HvJEG 26 oktober 2006, C-248/04 (Cosun), Jur. 2006, p. 1-10211, r.o. 79 en HvJEG 16 maart 2006, C-94/05 (Emsland-Störke), Jur. 2006, p. 1-2619, r.o. 43.
HvJEG 20 juni 2002, C-313/99 (Mulligan), Jur. 2002, p. 1-5719, r.o. 52.
HvJEG 20 juni 2002, C-313/99 (Mulligan), Jur. 2002, p. 1-5719, r.o. 47; HvJEG 17 mei 2001, C-159/99 (Commisiefitalié), Jur. 2001, p. 1-4007, r.o. 32. In laatstgenoemde uitspraak ging het overigens om een richtlijn. Zie wat betreft verordeningen ook Bonnes 1994, p. 99.
HvJEG 20 juni 2002, C-313/99 (Mulligan), Jur. 2002, p. 1-5719, r.o. 47; HvJEG 26 oktober 1995, C-151/94 (Commissie/Luxemburg), Jur. 1995, p. 1-3685, r.o. 18; HvJEG 24 maart 1994, C-80/92 (Commissie/België), Jur. 1994, p. 1-1019, r.o. 20; HvJEG 26 januari 1994, C-381/92 (Commissie/Ierland), Jur. 1994, p. 1-215, r.o. 7; HvJEG 17 november 1992, C-236/91 (Commissie/ Ierland), Jur. 1992, p.1-5933, r.o. 6; HvJEG 11juni 1991, C-307/89 (Commissie/Frankrijk), Jur. 1991, p. 1-2903, r.o. 13. Zie hieromtrent ook Hofmann, Rowe & Trk 2011, p. 580.
HvJEG 20 juni 2002, C-313/99 (Mulligan), Jur. 2002, p. 1-5719, r.o. 50. Op grond hiervan moet de opvatting dat implementatie in principe door middel van bindende wetgeving moet worden gerealiseerd, als neergelegd in de Handleiding Wetgeving en Europa (p. 86) te worden genuanceerd.
HvJEG 20 juni 2002, C-313/99 (Mulligan), Jur. 2002, p. 1-5719, r.o. 51;
HvJEG 21juni 2007, C-158/06 (Stichting ROM), AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden.
Zie ook HvJEG 26 oktober 2006, C-248/04 (Cosun), Jur. 2006, p. 1-10211, r.o. 79; HvJEG 21 februari 2006, C-255/02 (Halifax), Jur. 2006, p.1-1609, r.o. 72; HvJEG 14 april 2005, C-110/03 (België/Commissie), Jur. 2005, p. 1-2801, r.o. 30; HvJEG 20 mei 2003, C-108/01 (Parmaham), Jur. 2003, p. 1-5121; HvJEG 22 november 2001, C-301/97 (Nederland/Raad), Jur. 2001, p. 1-8853; r.o. 43; HvJEG 15 december 1987, 325/85 (Ierland/Commissie), Jur. 1987, p. 5041, r.o. 18;
Het rechtszekerheidsbeginsel vereist 'dat een gemeenschapsregeling de belanghebbenden met name in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen.'1 De justitiabelen moeten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen.2 Verordeningen en hun bijlagen dienen dan ook te worden bekendgemaakt, alvorens zij verplichtingen kunnen opleggen aan particulieren.3 De omstandigheid dat wel de daarop gebaseerde nationale regeling is bekendgemaakt, doet daaraan niet af.4 Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat de rechtszekerheid in het bijzonder een dwingend vereiste is in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben.5
De uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende eisen gelden ook voor maatregelen die de lidstaten vaststellen ter uitvoering van het Europese recht.6 Zo dienen de lidstaten de op hen rustende verplichtingen uit te voeren met een onbetwistbare dwingende kracht en met een specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan dit beginsel.7 Eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, kunnen niet worden beschouwd als een correcte uitvoering van de verplichtingen die het Europese recht oplegt, aangezien zij de betrokken rechtssubjecten in onzekerheid laten omtrent de omvang van hun rechten zoals die door het Europese recht worden gewaarborgd.8 Het is echter niet problematisch om het vaststellen van bindende regelingen bij een nationale wet te delegeren aan een autoriteit van de lidstaat, zoals een minister.9 Het rechtszekerheidsbeginsel vereist ook een adequate bekendmaking van krachtens het Europese recht vastgestelde nationale maatregelen, doch regelt niet in welke vorm dit dient te geschieden.10
Uit het voorgaande volgt dat het rechtszekerheidsbeginsel relevant is indien nationale uitvoeringsorganen algemene maatregelen nemen ter uitvoering van de Europese subsidieregelgeving. Het rechtszekerheidsbeginsel geldt echter ook indien nationale uitvoeringsorganen de Europese subsidieregelgeving toepassen in het concrete en individuele geval. In de zaak Stichting ROM vorderde de staatssecretaris een Europese subsidie terug omdat de eindontvanger niet had voldaan aan een verplichting die was neergelegd in een Commissiebeschikking. Het Hof heeft op grond van het rechtszekerheidsbeginsel bepaald dat een regel in een Commissiebeschikking die is gericht tot de lidstaat en niet is bekendgemaakt niet aan de eindontvanger van de Europese subsidie kon worden tegengeworpen.11 Kortom: verplichtingen die voor de eindontvanger niet kenbaar zijn, kunnen niet door nationale uitvoeringsorganen aan hem worden tegengeworpen.12