Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.10.2:2.10.2 Operatie Comptabel Bestel
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.10.2
2.10.2 Operatie Comptabel Bestel
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1985/86, 19 045, nr. 6 (motie Engwirda c.s.).
Kamerstukken II 1985/86, 19 045, nr. 7 (motie Engwirda c.s.).
Kamerstukken II 1986/87, 19 395, nr. 14, p. 2 en 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In oktober 1985 – bij de vaststelling van de rekening over 1978 – werd een tweetal moties aangenomen in de Tweede Kamer waarin de regering werd verzocht met voorstellen te komen ter verbetering van de administratieve organisatie van de ministeries1 en ter verbetering van de interne controle binnen de ministeries.2
In 1986 werd door het toenmalige eerste kabinet Lubbers een aanzet gedaan tot het instellen van de Operatie Comptabel Bestel,3 mede op basis van de aanbevelingen uit het rapport ‘Een helder begrotingsstelsel’. Uiterlijk in 1990 zouden de verbeteringen van het comptabel bestel moeten zijn gerealiseerd. Het uiteindelijke doel van de Operatie Comptabel Bestel was om via een beter begrotingsbeheer de beheersing van de begroting in het algemeen te verbeteren.4 Deze operatie richtte zich vooral op een verbetering van de administratieve organisatie en de interne (accountants)controle bij het Rijk en het zodanig wijzigen van de inrichting en presentatie van ontwerpbegrotingen, suppletoire begrotingen, budgettaire nota’s en rekeningen dat het parlement beter in staat gesteld werd het budget- en autorisatierecht uit te oefenen.5 Tevens werd een versnelling van de indiening van de suppletoire begrotingen én een versnelling van de verantwoording beoogd.
De Operatie Comptabel Bestel ging gepaard met een (ingrijpende) wijziging van de Comptabiliteitswet 1976. Met de derde wijziging van de Comptabiliteitswet 1976 in 1987 werd een versnelling van de financiële verantwoording beoogd – de verantwoordingsstukken werden uiterlijk op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarnaast werd de rekening aan de slotwet gekoppeld. De Algemene Rekenkamer diende bovendien per rekening een rapport op te stellen en beschikbaar te stellen aan het parlement over het onderzoek naar de betreffende rekening, op basis waarvan het parlement een oordeel kon vellen. Bovendien werd het niet meer noodzakelijk geacht dat de Rijksrekening bij wet werd vastgesteld. Sinds de Grondwetswijziging van 1983 hoefde geen verantwoording meer te worden afgelegd over de uitgaven en de inkomsten van het Rijk aan de wetgevende macht, maar aan de Staten-Generaal, waarmee de eis van een wettelijke goedkeuring kwam te vervallen.6
Tussen 1989 en 1995 werden de vierde, vijfde en zesde wijziging van de Comptabiliteitswet 1976 doorgevoerd. Met deze wijzigingen werden het begrotingsbeheer en het verantwoordingsproces verbeterd. Het doel van de vierde wijziging was het bewerkstelligen van een bestel met waarborgen voor een goede beheersing, een ordelijk beheer en een tijdige autorisatie van de begroting(swijzigingen). Onder de vierde wijziging werd het begrotingsstelsel en de indeling van de begroting en de memorie van toelichting bij de begrotingswetten aangepast. Ook werd definitief het tijdpad voor het indienen van suppletoire begrotingen vastgelegd. De suppletoire begrotingen werden standaard op twee momenten tijdens de begrotingsuitvoering ingediend: de eerste uiterlijk op 1 juni samen met de voorjaarsnota en de tweede uiterlijk 1 december samen met de najaarsnota. Bij het indienen van de slotwetten kunnen de laatste suppletoire begrotingen worden ingediend. Incidentele suppletoire begrotingen, begrotingen betreffende grote beleidswijzigingen die niet kunnen wachten op de reguliere besluitvorming omtrent de suppletoire begrotingen, konden uiteraard het gehele begrotingsjaar worden ingediend.7 Met het indienen van suppletoire (verzamel)begrotingen op vaste tijdstippen gedurende de begrotingsuitvoering werd bereikt dat de uitgaven nog in hetzelfde jaar waarop de begrotingsmutatie betrekking had werden geautoriseerd. De vierde wijziging introduceerde bovendien te term ‘financiële verantwoording’ in de Comptabiliteitswet. Elk jaar diende de minister de financiële verantwoording op te maken met betrekking tot de begroting waarover een minister het beheer voerde.8 Met de vijfde wijziging stond het controlebestel centraal. Er werden wijzigingen aangebracht in de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer. Zo zou het oordeel van de Rekenkamer niet meer enkel betrekking hebben op de rechtmatigheid van de uitgaven, maar ook op de verantwoording daarover. Door dit onderzoek en de optekening van de resultaten in de rapporten van de Algemene Rekenkamer werd het parlement beter in staat gesteld toezicht uit te oefenen op de door de minister gevoerde financiële beheer en verantwoording daarover.9 Met de zesde wijziging werd bereikt dat ook voor het hele Rijk een financiële verantwoording werd opgesteld.10