Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.4.1.1
3.4.1.1 Inschrijving (aanleg of verwijdering) netten
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS618497:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 19.
Bij elektriciteits- en gasnetten dient de economische eigendom (sinds 1 januari 2008, zie verder par. 6.1.4.3) overgedragen te worden aan de netbeheerder van het betreffende net. Als deze netbeheerder een zekerheidshypotheek heeft gevestigd, dan is in de openbare registers zichtbaar dat (in ieder geval) de economische eigendom van het betreffende net bij een ander ligt. C heeft in deze situatie weliswaar de juridische eigendom verkregen (althans C wordt beschermd op grond van artikel 3:24 BW), maar zal in de praktijk het net niet of nauwelijks kunnen exploiteren.
Door introductie van artikel 155a Overgangswet NBW zal het aanleveren van bewijsmiddelen door de niet-gerechtigde partij wellicht makkelijker zijn omdat ook degene die een net voor zichzelf exploiteert, zich als eigenaar gedraagt, zie verder par. 3.4.3.
Inschrijving van de aanleg van een net of inschrijving van een bestaand net heeft, naast de mogelijkheid om een hypotheekrecht te vestigen op het net, tot gevolg dat de aanlegger of eigenaar beschermd is tegen eventuele claims van derden conform artikelen 3:24, eerste lid, 25 en 26 BW. Artikel 78, derde lid Overgangswet NBW zal ook op netten van toepassing zijn. Dit betekent dat de aanlegger of de huidige leidingbeheerder na invoering van de nieuwe eigendomsregeling drie jaar de tijd heeft om bestaande netwerken te inventariseren en middels een notariële akte of verklaring in te schrijven. Omdat de aanleg (of verwijdering) van een net voorheen niet in de openbare registers ingeschreven werden, is het billijk om degene die een zodanig feit wil inroepen een termijn te gunnen om de openbare registers met het nieuwe wettelijke regime en met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen. Indien de aanlegger of leidingbeheerder niet binnen de termijn van drie jaar het net laat registreren in de openbare registers, kan te zijner tijd de derdenbescherming in zijn nadeel gaan werken. In de parlementaire geschiedenis is het volgende hierover opgenomen:1
`Indien een eigenaar zijn aangelegde net niet laat inschrijven in de openbare registers, zal drie jaar na inwerkingtreding van de wet de derdenbescherming in zijn nadeel kunnen gaan werken. Het resultaat daarvan is dat derden zich op het standpunt kunnen stellen dat de aanlegger of zijn opvolger ten opzichte van hen geen beroep kan doen op zijn rechten ter zake van het net, zolang van die rechten niet uit de openbare registers blijkt, bijv. door de inschrijving van een erfdienstbaarheid of een opstalrecht.'
Gelet op de nieuwe overgangsrechtelijke bepaling in artikel 155a Overgangswet NBW wordt aan artikel 78 een nieuw vijfde lid toegevoegd dat luidt dat met betrekking tot een net als bedoeld in artikel 5:20 lid 2 BW, dat vóór 1 februari 2007 is aangelegd, de in het derde lid bedoelde termijn van drie jaren zal gaan lopen vanaf het tijdstip waarop artikel 155a in werking is getreden. Met andere woorden de termijn om netten in te schrijven in de openbare registers wordt met betrekking tot netten die voor 2007 zijn aangelegd, 'verlengd' met drie jaar zodat de partij die zich als eigenaar gedroeg op 1 februari 2007 voldoende tijd krijgt om deze vermoedelijke eigendom in te schrijven in de openbare registers.
Welke situaties kunnen zich zoal voordoen indien de (bevoegde) aanlegger (of de vermoedelijke eigenaar) A de eigendom van zijn net niet inschrijft in de openbare registers? Gedacht kan worden aan de omstandigheid dat leidingbeheerder B, die het net van A beheert, het net op zijn naam in de openbare registers laat inschrijven. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat bij eerste inschrijving het voor de notaris voldoende aannemelijk moet zijn dat voldaan is aan het bevoegdheidsvereiste. Immers wanneer de bevoegde aanleg niet (voldoende) aangetoond wordt, dan zal de notaris niet (snel) overgaan tot aanbieding van een notariële verklaring tot eerste inschrijving. In die zin zal de bevoegdheidseis wellicht nog een 'remmend' effect hebben voor eigendomclaims door niet-gerechtigden. Wanneer leidingbeheerder B echter onverhoopt toch erin slaagt de notaris op een of andere manier te overtuigen van zijn 'bevoegde' aanleg (bijvoorbeeld door nagemaakte documenten) dan zal de eerste inschrijving kunnen volgen van het net op naam van leidingbeheerder B. Eventuele derden die vertrouwen op hetgeen in de verklaring van de notaris ten aanzien van de (vermeende) eigendom van B is opgenomen, worden dan op grond van artikel 3:25 BW beschermd. Een andere situatie zou nog kunnen zijn dat leidingbeheerder B het door hem — voor A — beheerde net overdraagt aan C. Omdat A de eigendom van zijn niet in de openbare registers heeft ingeschreven, terwijl dit wel een voor inschrijving vatbaar feit is, zal verkrijger C door een beroep op artikel 3:24 BW beschermd kunnen worden (tegen A) als achteraf blijkt dat B niet over de juridische eigendom beschikte2 Kortom, wanneer de niet-gerechtigde partij met bepaalde, voor de notaris voldoende overtuigende, bewijsmiddelen komt ten aanzien van de vermeend bevoegde aanleg, dan wel de vermoedelijke eigendom3 zullen diverse situaties zich kunnen voordoen waarin de derdenbeschermingsbepalingen tegen de bevoegde aanlegger kunnen gaan werken, indien deze partij nalaat zijn eigendom in de openbare registers in te schrijven. Aangezien de termijn van artikel 78, derde lid Overgangswet NBW min of meer opgerekt wordt tot drie jaar na het moment dat het nieuwe overgangsrechtelijke artikel 155a in werking treedt, heeft de bevoegde aanlegger ruim de tijd om zijn eigendom te laten inschrijven zonder dat hij last krijgt van de derdenbeschermingsbepalingen die mogelijk tegen hem zouden kunnen werken.