De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.1.2:4.2.1.2 Wetboek van Koophandel van 1838
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.1.2
4.2.1.2 Wetboek van Koophandel van 1838
Documentgegevens:
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649803:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Drost 1903, p. 72.
Drost 1903, p. 72.
Drost 1903, p. 131-132.
Völlmar 1928, p. 115.
Kamerstukken II 1909/10, 217, nr. 3 (MvT), p. 33.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Drost schrijft in zijn proefschrift dat onder het WvK 1838 het ‘recht tot deelneming aan de algemene vergadering’ in de regel aan iedere aandeelhouder toekomt. Het recht om deel te nemen aan de algemene vergadering omvat, zoals hij zegt, het recht om ter vergadering het woord te voeren en voorstellen te doen.1 In de statuten kan het recht tot deelneming (en daarmee het recht om voorstellen te doen, EB) worden beperkt.2 Tenzij de statuten anders bepalen zijn aandeelhouders onder het WvK 1838 niet bevoegd om een algemene vergadering bijeen te roepen.3 Völlmar merkt bij art. 43c WvK 1928 (thans art. 2:110 BW/ 2:220 BW) op dat een dergelijk recht onder het WvK 1838 dikwijls in de statuten aan de individuele aandeelhouders, of aan een bepaald quorum aandeelhouders werd toegekend.4 Van de rechterlijke tussenkomst als bedoeld in art. 43d WvK (thans art. 2:111 BW/ 2:221 BW) was dan geen sprake. Ook de toelichting op art. 45b van het Ontwerp Nelissen, welk artikel later is vernummerd tot art. 43c en art. 43d WvK 1928, maakt van deze praktijk gewag.5 Verder is nog interessant de volgende opmerking van Mendel, destijds lid van de Eerste Kamer, bij de behandeling van het wetsontwerp dat zou leiden tot het WvK 1928:
“Als thans [onder het WvK 1838, EB] b.v. een-tiende deel van het kapitaal, daartoe bij de statuten bevoegd, een buitengewone vergadering vraagt, met opgaaf van redenen, en het bestuur belegt die vergadering toch niet, dan kunnen die aandeelhouders zelf een vergadering uitschrijven. De rechtbank te Amsterdam heeft in een desaveu-procedure uitgemaakt, dat dit geoorloofd is en heeft zulk een vergadering geldig verklaard in een geval, dat in de statuten vergeten was te bepalen, dat de aandeelhouders zelf een vergadering konden beleggen, bij weigering van het bestuur.”6
Twee belangrijke noties die uit deze en de voorgaande paragraaf volgen, zijn de volgende. Ten eerste was het tijdig verstrekken van de agenda aan de aandeelhouders onder de CdC en het WvK 1838 geen vereiste voor rechtsgeldige besluitvorming. Als een algemene vergadering al een agenda had, was besluitvorming niet a priori beperkt tot de punten op die agenda. Ten tweede gold, hoewel de wet daarover niets bepaalde, onder de CdC en het WvK 1838 als uitgangspunt dat het bestuur de algemene vergadering bijeenroept. Onder het WvK 1838 werd in de statuten het bijeenroepingsrecht doorgaans wel ook aan individuele of een bepaald quorum aandeelhouders toegekend. In het tijdvak 1838-1928 bestond kennelijk dus veelal de situatie dat een (groep) aandeelhouder(s) de bevoegdheid had een algemene vergadering bijeen te (doen) roepen terwijl een tijdige verstrekking van de agenda geen voorwaarde voor rechtsgeldige besluitvorming was. Het behoeft geen toelichting dat de betreffende (groep) aandeelhouder(s) dan, in termen van corporate governance, een zeer sterke positie heeft.