Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.1.1.b.ii
5.1.1.b.ii Berner Conventie: de opvatting dat de Berner Conventie in het geheel geen conflictregel bevat
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS469961:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Meestal blijft het bij een blote ontkenning dat de conventie geen conflictenrecht bevat, zo Batiffol & Lagarde 1983, p. 199; Dessemontet 2001, p. 489; Dinwoodie 2005, p. 201; Kegel 1996, p. 534; Neuhaus 1976 (Freiheit), p. 193; Pertegás Sender 2006, p. 227; Raape 1961, p. 643; Strennholm 2001, p. 534-535. Uitgebreider: Boschiero 2007, p. 94-99; Van Eechoud 2003, p. 47 e.v.; Fentiman 2005, p. 133-137.
HvJ EG 30 juni 2005, nr. C-28/04, Jur. 2005, p. 1-5781 (Tod's/Heyraud). De zaak is berecht zonder conclusie van een advocaat-generaal; en dat is, zoals Bergé 2006, p. 646, opmerkt, 'sans doute une erreur dans le cas pré-sent.' Over dit arrest zie onder meer Bergé 2006, p. 643-651; Lucas 2006 (Tod's), p. 1367-1368.
Over art. 2 lid 7, zie nader par. 6.3.3.
Los hiervan, is het eindresultaat van het arrest correct: het non-discriminatiebeginsel in art. 12 EG verzet zich immers inderdaad tegen toepassing van de materiële-reciprociteitsuitzondering in art. 2 lid 7 van de Berner Conventie. Zie par. 6.3.1 onder (b), en par. 6.3.3 onder (d).
Een volgende vraag is of het Hof van Justitie EG bevoegd is tot uitlegging van de Berner Conventie voor de Europese lidstaten. Daarover is twijfel mogelijk. Volgens Drexl 2006, p. 838 e.v. is het hof daartoe bevoegd op grond van zijn uitleggingsbevoegdheid ten aanzien van de TRIPs-Overeenkomst (zie ook noot 22 van de Inleiding). Drexl wijst in dat verband op HvJ EG 16 november 2004, nr. C-245/02, Jur. 2004, p. 1-10989; NJ2006, 569 (Anheuser-Busch), zie ook de conclusie van A-G Tizzano, alinea 110 e.v. Het laatste woord komt, aldus Drexl, evenwel toe aan de Beroepsinstantie (`Appelate Body') van het WTO-Orgaan voor Geschillenbeslechting (`DSB'), zie Drexl 2006, p. 833 en p. 839. Wat daar ook van zij, het allerlaatste woord komt in ieder geval toe aan het Internationaal Gerechtshof, zie art. 33 Berner Conventie en art. 28 Verdrag van Parijs; die route is volgens Drexl 2006, p. 832, evenwel nog nooit gebruikt.
441. Tweede subgroep: geen conflictregel. De tweede subgroep ontkent dat artikel 5 van de Berner Conventie überhaupt conflictenrechtelijke betekenis heeft. Noch het beginsel van nationale behandeling noch (de tweede volzin van) het tweede lid zou een conflictregel bevatten. Volgens deze stroming behelst artikel 5, naast een referte aan het ius conventionis, louter vreemdelingenrecht. Het zou alleen non-discriminatie eisen. Deze subgroep is veruit in de minderheid.1
442. HvJ EG: Tod's/Heyraud. In dit verband dient melding te worden gemaakt van het arrest van het Hof van Justitie EG van 30 juni 2005 in de zaak Tod's/Heyraud.2 Deze zaak betrof de vraag of de materiële-reciprociteitstoets in artikel 2 lid 7 van de Berner Conventie (betreffende het tekeningen- en modellenrecht) verenigbaar is met het non-discriminatiebeginsel in artikel 12 EG.3 Blijkens to. 30 van het arrest was door de Franse regering aangevoerd dat artikel 2 lid 7 geen betrekking heeft op de wijze waarop het auteursrecht wordt uitgeoefend, maar op de wet die van toepassing is op de kwalificatie als werk van letterkunde of kunst (de 'object-vraag'). Wanneer een creatie door de lex originis niet als werk van kunst wordt gekwalificeerd, bestaat zij niet als werk van kunst, zodat zij niet op die grond kan worden beschermd in de andere landen van de Berner Conventie,
zo werd betoogd. Er werd dus gesteld dat sprake is van een conflictenrechtelijke deelverwijzing (depégage): de object-vraag zou worden beheerst door de lex originis (die stelling, zo komt nog ter sprake in par. 6.3.3, is onjuist; artikel 2 lid 7 behelst een vreemdelingenrechtelijke materiële-reciprociteitsuitzondering).
443. Het hof respondeert op deze stelling in to. 32. Het overwoog dat de Berner Conventie, blijkens artikel 5 lid 1, niet tot doel heeft te bepalen welke wet inzake de bescherming van werken van letterkunde en kunst van toepassing is, maar dat zij als algemene regel een stelsel van nationale behandeling van de bij deze werken horende rechten invoert. In de originele procestaal luidt deze overweging als volgt:
"En effet, ainsi qu'il ressort de l'article 5, paragraphe 1, de la convention de Berne, celle-ci n'a pas pour objet de déterminer la loi applicable en matière de protection des ceuvres littéraires et artistiques, mais elle instaure, en tant que règle generale, un système de traitement national des droits afférents à celles-ci."
444. Wat bedoelt het hof? Moet deze overweging worden gelezen als een weerlegging van (niet meer dan) bovengenoemde stelling dat sprake is van een deelverwijzing? Dan zou het hof dus bedoeld hebben dat de conventie blijkens artikel 5 lid 1 niet een dergelijke deelverwijzing kent, maar dat zij daarentegen als algemene regel een stelsel van nationale behandeling invoert. Dat zou een juist oordeel zijn. Maar dat staat er niet. De letterlijke tekst van de onderhavige overweging lijkt (zeer) veel verder te gaan — ook veel verder dan nodig is voor de weerlegging van de aangevoerde stelling. Er staat immers dat de conventie, blijkens artikel 5 lid 1, niet tot doel heeft te bepalen welke wet inzake de bescherming van werken van letterkunde en kunst van toepassing is. Zou het hof daarmee werkelijk hebben willen zeggen dat de Berner Conventie naar zijn oordeel in het geheel geen conflictenrechtelijke betekenis heeft? Zou het hof de "heftig umstritten" vraag naar het conflictenrechtelijke gehalte van artikel 5 lid 1 zo achteloos hebben willen beslechten? Zou het, en passant, in één zin, en zonder voorgaande conclusie van een advocaat-generaal, hebben willen ingaan tegen de wereldwijd en in Europa gevestigde opvatting dat de Berner Conventie, hetzij in artikel 5 lid 1 hetzij in artikel 5 lid 2, een verwijzing naar de lex loci protectionis inhoudt — tegen de opvatting van de hoogste rechterlijke colleges van onder meer Duitsland, Frankrijk en Nederland? Het lijkt niet goed voorstelbaar.4 's Hofs Tweede Kamer, die dit arrest heeft gewezen, laat ons achter met een groot vraagteken.5