Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/3.3.1
3.3.1 Beroepsmatige particuliere opsporing: accountants en journalisten
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor M. Pheijffer, Nieuwe ronde, nieuwe kansen (oratie Nyenrode), Den Haag: Sdu 2001.
Zie Y. Buruma, ‘Onderzoeksjournalistiek’, NJB 2008, p. 435 en W.F. van Hattum, ‘Herziening ten nadele. Wat de kwestie Joran van der Sloot ons daarover kan leren’, NJB 2008, p. 682-684.
Zie in dit verband bijvoorbeeld EHRM 21 januari 1997, NJ 1997, 713 (Fressoz en Roire v. Frankrijk).
Hoge Raad 14 juni 2011, NJ 2011, 504, m.nt. EJD (Maurice de Hond en de beschuldigingen aan het adres van de klusjesman in de Deventer moordzaak) en 26 maart 2013, LJN BY3752 (journalist Alberto Stegeman en het betreden van Schiphol-Oost).
Bijvoorbeeld zij gewezen op een uitspraak van de RvdJ in een zaak (zaaknr. 2006/44) tegen een journalist van het SBS6 televisieprogramma ‘Undercover in Nederland’. De journalist komt in casu in contact met een persoon die op internet een verboden mes te koop aanbiedt. De persoon blijkt een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te zijn. De journalist neemt een met de IND-medewerker gevoerd telefoongesprek op en filmt met een verborgen camera het bezoek dat hij bij de IND-medewerker thuis aflegt. Naar het oordeel van de RvdJ is met name door het gebruik van de verborgen camera onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klager en is sprake van een inbreuk op zijn privacy die verder gaat dan in het kader van de berichtgeving noodzakelijk was.
De beroepsmatig opsporende burger omvat bijvoorbeeld de forensische accountant. Zijn handelen wordt intern genormeerd door de op hem van toepassing zijnde tuchtrechtspraak. Hierin wordt de forensische accountant onder andere eraan gehouden het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen gedurende zijn onderzoek.1 Hoewel aldus het handelen van de forensische accountant wordt genormeerd, staat deze vorm van controle geheel los van de vraag of de vraag of politie en OM het door hem verkregen materiaal voor de start van een opsporingsonderzoek kunnen gebruiken.
Voorts kan in verband met de beroepsmatige particuliere opsporing worden gedacht aan de journalist die opsporingshandelingen verricht. De door misdaadverslaggever Peter R. de Vries met verborgen camera’s vastgelegde ‘bekentenis’ in de zaak Holloway vormt een voorbeeld van deze vorm van beroepsmatige particuliere opsporing.2 Een journalist bezit, indachtig het onder andere uit art. 10 EVRM en art. 19 IVBPR voortvloeiende recht op vrije nieuwsgaring, een zekere mate van vrijheid in de manier waarop hij zijn informatie vergaard en openbaar maakt.3 De journalist mag echter, in beginsel, geen strafbare feiten plegen ter verkrijging van de informatie.4 Het handelen van de journalist blijft niet ongecontroleerd. Zo kan de Raad voor de Journalistiek (RvdJ) de wijze waarop een journalist zijn informatie verkrijgt, toetsen aan de eerdergenoemde leidraad. In deze leidraad wordt op een aantal punten aangegeven op welke wijze een journalist maatschappelijk verantwoord behoort te handelen. De RvdJ kan zich ook uit eigen beweging uitspreken over bepaalde journalistieke onderwerpen, zoals het gebruik van verborgen camera’s. Voorts kunnen belanghebbenden bij de RvdJ een klacht indienen over het handelen van een journalist.5 De RvdJ kan zijn afkeuring uitspreken over de door de journalist gehanteerde (informatievergarende) methode als hij deze onaanvaardbaar acht. Aldus kan de wijze van verkrijging van informatie door een journalist intern, namelijk door een door de beroepsgroep gecreëerd orgaan, worden gecontroleerd. Het gaat dan om de rechtmatigheid van het handelen van de journalist en niet zozeer om de betrouwbaarheid van de door hem vergaarde informatie. Overigens kan worden betwijfeld of de controle van de RvdJ voldoende effect sorteert. De uitspraken van de RvdJ zijn namelijk niet bindend. Bovendien kunnen er geen sancties, zoals schadevergoeding of rectificatie, aan worden verbonden. Deze vorm van controle heeft ten slotte niets van doen met de vraag of politie en OM het door een journalist verkregen materiaal voor de start van een opsporingsonderzoek kunnen gebruiken. Met deze interne controle blijft met andere woorden de facto het handelen van de journalist ongecontroleerd.