Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/5.2.3.2
5.2.3.2 OK-bestuurders
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652150:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 3-4; Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3, p. 29.
Is de OK-bestuurder de enige vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder, dan is die mogelijkheid overigens beperkt, zie Eikelboom 2017, p. 554. Eindigt de benoeming van de OK-bestuurder, dan ligt dit anders.
Het gaat dan om een geval van afgeleide schade, voor toewijzing waarvan in ieder geval is vereist dat de OK-bestuurder een norm schendt die specifiek beoogt de belangen van de aansprakelijkstellende aandeelhouder te beschermen, zie HR 2 december 1994 (r.o. 3.4.3), NJ 1995/288, m.nt. J.M.M. Maeijer (Poot/ABP); HR 16 februari 2007 (r.o. 3.3 onder c), NJ 2007/256, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2007/112, m.nt. W.J.M. van Veen & T.H.M. van Wechem (Tuin Beheer). Zie ook par. 3.2.3.2.6.
Zie ook Wezeman 1998, p. 196; Olden 2022, p. 863.
Eikelboom 2012, p. 110, voetnoot 105; Borrius 2015, p. 79; Borrius 2017a, p. 297; Eikelboom 2017, p. 542. Volgens Makkink 2018, p. 378 gaat een aansprakelijkstelling veelal uit van anderen dan de curator.
Zo ook Sluijters 1999, p. 27.
Croiset van Uchelen 2008, p. 211-212 en p. 229, welk betoog overigens dateert van voor OK 18 maart 2013, JOR 2013/136, m.nt. A.F.J.A. Leijten (De Orthopedische Schoenmakerij).
Zo ook Cornelissen 2010, p. 78.
Olden 2009, p. 124 (ten aanzien van de OK-commissaris); Eikelboom 2012, p. 107.
Eikelboom 2012, p. 107.
Zie ook Krop, Scholten & Verburgt 2015, p. 222.
Wet van 11 november 2020 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen), Stb. 2020, 507; Stb. 2020, 508; Stb. 2021, 284. Zie hierover kritisch Makkink 2018, p. 378; Salemink 2018a, p. 1-2; instemmend Borrius 2018, p. 438, voetnoot 60.
Joosten 1998, p. 25, voetnoot 26, waartegen Sluijters 1999, p. 27-28; Croiset van Uchelen 2008, p. 229. Vgl. ook Kamerstukken II 1983/84, 16631, 6, p. 24.
Rb. Midden-Nederland 5 december 2018, JOR 2019/53, m.nt. T. Salemink; Ondernemingsrecht 2019/43, m.nt. P.H.M. Broere (Vikariën); Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2020, JOR 2020/140, m.nt. M.W. Josephus Jitta; Ondernemingsrecht 2020/99, m.nt. P.H.M. Broere (Vikariën).
Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 3-4; Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3, p. 29.
HR 10 januari 1997 (r.o. 3.3.1), NJ 1997/360, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven). Een en ander kan ook een rol spelen bij de matiging van een eventuele schadevergoedingsverplichting, zie Wezeman & Dolphijn 2003, p. 45.
Zie ook nog Cornelissen 2010, p. 74 en p. 76; Eikelboom 2012, p. 108; Eikelboom 2017, p. 557, die verdedigt dat van een OK-bestuurder niet kan worden verlangd dat deze bekend is met de materie waarmee de (aan de desbetreffende rechtspersoon verbonden) onderneming waarvan hij tijdelijk bestuurder is zich bezighoudt. Wel mag volgens Eikelboom van een OK-bestuurder worden verwacht dat hij de vaardigheden heeft om zich een beeld te vormen van de financiële toestand van de rechtspersoon en de ontwikkelingen dienaangaande, alsmede dat hij grip kan houden op de algemene gang van zaken. Vgl. ook Olden 2009, p. 122 (ten aanzien van de OK-commissaris).
Sinninghe Damsté 2014, p. 43-45; Lemstra 2017, p. 279 en p. 286. Zie ook Van Hassel 2009, p. 5; Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht 2011, p. 4.
Eikelboom 2012, p. 106, voetnoot 83.
Josephus Jitta 2003, p. 467 e.v. Vgl. ook art. 371 lid 11 Fw, geïntroduceerd met de Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord), Stb. 2020, 414; Stb. 2020, 415.
NautaDutilh 2009, p. 10.
Josephus Jitta 2003, p. 468-469.
Zo ook Sluijters 1999, p. 28; Croiset van Uchelen 2008, p. 228; De Jongh & Schild 2010, p. 69; Borrius 2015, p. 78 e.v.; Krop, Scholten & Verburgt 2015, p. 220-223; De Leeuw 2016, p. 57; Borrius 2017a, p. 295 e.v.; Borrius 2018, p. 438-439; Andrianova 2021, p. 80-81; Borrius e.a. 2021, p. 55; Duynstee & Drenth 2021, p. 240 en p. 246; Olden 2022, p. 864, maar anders p. 876. Borrius maakt een vergelijking met de positie van de interim-bestuurder, onder verwijzing naar Hof ’s-Gravenhage 16 september 2009 (r.o. 14), JOR 2009/5 (Batenburg/VHS); Hof ’s-Hertogenbosch 19 januari 2010 (r.o. 8.6.2-8.6.3), JOR 2010/113, m.nt. C. Rijckenberg (Stoets/Bohncke te Netersel). Zie ook Olden 2009, p. 131-132 (ten aanzien van de OK-commissaris).
Lemstra 2017, p. 285, onder verwijzing naar Kroeze 2005, p. 18. Zie ook Andrianova 2021, p. 79.
Uitgangspunt van de minister is dat OK-bestuurders behoren te vallen onder hetzelfde aansprakelijkheidsregime als reguliere bestuurders.1 De op bestuurders van toepassing zijnde aansprakelijkheidsgrondslagen kunnen dus ook worden aangewend jegens OK-bestuurders. Aansprakelijkstelling kan uitgaan van de rechtspersoon (bijvoorbeeld op grond van art. 2:9 BW),2 een aandeelhouder (bijvoorbeeld op grond van art. 6:1623), de curator (bijvoorbeeld op grond van art. 2:9 BW), of een andere bij de rechtspersoon betrokkene (bijvoorbeeld op grond van art. 36 Invorderingswet 19904). Een aansprakelijkstelling zal veelal uitgaan van een (mogelijk voorheen ook met het bestuur belaste) aandeelhouder.5
Mijns inziens brengt bovengenoemd uitgangspunt ook mee dat een OK-bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld op grond van art. 2:139/249 BW.6 Een andere mening is Croiset van Uchelen toegedaan.7 Volgens hem geldt voor de OK-bestuurder niet de verplichting tot het opstellen en ondertekenen van de jaarrekening, omdat de OK-bestuurder geen rekening en verantwoording is verschuldigd aan de algemene vergadering.8 Croiset van Uchelen ziet hierom geen ruimte voor aansprakelijkheid van een OK-bestuurder op grond van art. 2:139/249 BW, behoudens het geval waarin sprake is van een evidente onjuistheid in de jaarrekening of tussentijdse cijfers die de OK-bestuurder feitelijk heeft opgemerkt, of, zijn beperkte betrokkenheid in acht genomen, had moeten opmerken. Daarnaast neemt hij een uitzondering aan voor het geval het gehele bestuur wordt gevormd door een of meer OK-bestuurders: de OK-bestuurder dient dan wel een jaarrekening op te maken en te publiceren, en loopt een aansprakelijkheidsrisico, zij het dat bij een disculpatieverweer zwaar zal meewegen dat het een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder betreft.
Hiertegen richten zich Eikelboom en Olden, die menen dat een jaarrekening is bestemd voor een breder publiek,9 en ook een OK-bestuurder verplicht is de jaarrekening op te maken en te publiceren, en dus aansprakelijk kan zijn uit hoofde van art. 2:139/249 BW. Eikelboom meent dat de Ondernemingskamer in uitzonderlijke gevallen kan overwegen dat de OK-bestuurder een jaarrekening niet hoeft te ondertekenen, mits in de jaarrekening wordt vermeld dat de OK-bestuurder de jaarrekening niet heeft ondertekend omdat hij onvoldoende kan overzien of deze een juiste voorstelling van zaken geeft. In die gevallen kan de OK-bestuurder zich volgens Eikelboom disculperen met het argument dat het niet aan hem is te wijten dat de jaarrekening een misleidende voorstelling van de toestand van de rechtspersoon geeft.10
Omdat de OK-bestuurder mijns inziens rekening en verantwoording heeft af te leggen aan de rechtspersoon (par. 4.10.3.2), meen ik dat hij ook aansprakelijk kan worden gesteld op grond van art. 2:139/249 BW.
Ingevolge art. 2:138/248 lid 7 BW kan een vordering op grond van art. 2:138/248 lid 1 BW niet worden ingesteld tegen een OK-bestuurder. Deze bepaling laat overige aansprakelijkheden onverlet.11 Art. 2:138/248 lid 7 BW maakt slechts melding van de door de Ondernemingskamer aangestelde bestuurder als bedoeld in art. 2:356 sub c BW, maar volgens de minister moet daaronder ook de bij onmiddellijke voorziening aangestelde bestuurder worden verstaan.12 Zuiverder geweest was dan ook een uitdrukkelijke verwijzing naar art. 2:349a lid 2 BW in art. 2:138/248 lid 7 BW.13
Art. 2:138/248 lid 7 BW is gewijzigd met de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen.14 Joosten verdedigde eerder dat art. 2:138/248 lid 7 BW – waarin reeds was opgenomen dat een vordering als bedoeld in art. 2:138/248 lid 1 BW niet kan worden ingesteld tegen de door de rechter benoemde bewindvoerder – analoog kan worden toegepast op een op de voet van art. 2:356 sub c BW benoemde OK-bestuurder of OK-commissaris.15 Met de wijziging van deze bepaling geeft de minister impliciet te kennen een dergelijke analoge toepassing af te wijzen. Met art. 2:138/248 lid 7 BW wordt aangesloten bij het Voorontwerp Insolventiewet 2007.16
Voor OK-bestuurders die aansprakelijk worden gesteld uit hoofde van onrechtmatige daad geldt de norm van het ernstig verwijt, zo volgt uit Vikariën.17 Die norm speelt ook een rol van betekenis voor OK-bestuurders die worden aangesproken op basis van een andere grondslag dan art. 6:162 BW. Een en ander volgt ook uit de parlementaire geschiedenis, waarin een rechtvaardiging voor de gelijkschakeling van de aansprakelijkheidspositie van OK-bestuurders met reguliere bestuurders wordt gevonden in hetzelfde belang dat zij hebben te dienen: het belang van de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming.18 De norm van een ernstig verwijt biedt de civiele rechter voldoende mogelijkheden tot inkleuring naargelang de omstandigheden van het geval.19 OK-bestuurders hebben veelal te functioneren onder hoge tijdsdruk, in een conflictueuze omgeving en op basis van in de regel onvolledige en tegenstrijdige informatie van procespartijen. Die specifieke omstandigheden kunnen een rol van betekenis spelen bij de inkleuring van de norm van het ernstig verwijt, zoals ook in Vikariën. De norm van een ernstig verwijt biedt OK-bestuurders op deze manier bescherming tegen de vaststelling van aansprakelijkheid.20
In de literatuur zijn verschillende alternatieve aansprakelijkheidsnormen voor OK-bestuurders voorgesteld: beperking van aansprakelijkheid tot opzet of bewuste roekeloosheid en daarmee aansluiting bij art. 2:351 lid 5 BW,21 aansluiting bij de aansprakelijkheidsnorm voor bindend adviseurs,22 curatoren23 of werknemers,24 of een cumulatieve norm, op grond waarvan de gedragingen van de OK-bestuurder moeten worden getoetst aan de normen voor bestuurders, alsmede aan hetgeen in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende OK-bestuurder.25 Mijns inziens is de ontwikkeling van een alternatieve aansprakelijkheidsnorm voor OK-bestuurders niet noodzakelijk.26 De norm van een ernstig verwijt biedt OK-bestuurders voldoende bescherming tegen de vaststelling van aansprakelijkheid. Ik verwacht ook niet dat OK-bestuurders met een aansprakelijkheidsnorm anders dan de ernstig verwijt-norm hun aansprakelijkheidspositie beter kunnen schatten, zoals Lemstra heeft aangevoerd.27