Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.4
1.4 Waarom de bij dode opgerichte stichting als onderwerp?
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232441:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook R.W.F. Hendriks, ‘De ontwikkeling van de stichting; van armenzorg tot concernverbonden onderneming’, in: R.C.J. Galle & M.J.G.C. Raaijmakers, (red.), Na twintig jaar Boek 2 BW (Schoordijk Instituut Center for Company Law), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 127-128.
Van Lanschot 1856, p. 20-21. Dit was ook de discussie bij het Haersholte fonds-arrest van Hof Den Haag 27 juni 1927, NJ 1928/p. 1042.
Asser/Scholten 1-II 1940/p. 165 (ten aanzien van Frankrijk).
‘De testamentaire stichting’, TE 2010/6; ‘Artikel 2:9 BW geldt ook voor een vrijwilliger als bestuurder’, JBN 2012/55; ‘Het uitkeringsverbod bij de stichting, een nog niet beëindigde discussie’, WPNR 2013/6989; ‘De wijze van benoeming van bestuurders van een stichting’, JBN 2014/27; ‘Kan een stichting worden “tussengeschoven” ter voorkoming van de aansprakelijkheid van de executeur voor de erfbelasting?’, ftV 2014/4; ‘Kunnen ook andere rechtspersonen dan stichtingen bij uiterste wils- beschikking worden opgericht?’, WPNR 2014/7034; ‘Opdat uw laatste wil geschiede’ (samen met N.V.C.E. Bauduin), WPNR 2014/7007; ‘Moet een ANBI een nalatenschap aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving?, WPNR 2015/7047; ‘Bescherming tegen de schulden van de nalatenschap door gebruik te maken van een bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting’, WPNR 2016/7098; ‘De taal van oprichtingsakte van een rechtspersoon’, WPNR 2017/7140; ‘Het vervreemdingsverbod van art. 4:45 BW. Wat bij leven mag, moet ook kunnen bij dode’, Actioma 204, juni 2018.
De constatering dat mijn onderzoek handelt over de bij dode opgerichte stichting, zegt nog niets over de motieven die aan de onderwerpkeuze ten grondslag liggen.
Om te beginnen raakt de bij dode opgerichte stichting twee rechtsgebieden die mij na aan het hart liggen: het rechtspersonenrecht en het erfrecht. Vooral in het verleden bestond een directe relatie tussen het erfrecht (en schenkingen) en het bestaan van de stichting.1 De stichting is ontstaan uit schenkingen en legaten, zo zal blijken in 2.2.2.1.
In het verleden is daarom ook wel gesteld, dat stichtingen eigenlijk fideï-commissen zijn2 of legaten onder een last.3 Hoewel tussen stichtingen en fideï-commissen grote verschillen zijn aan te wijzen, dient men ook tegenwoordig niet blind te zijn voor de overeenkomsten en daarmee van de mogelijkheid stichtingen te gebruiken om te ontkomen aan de beperkingen die kleven aan voorwaardelijke makingen als bedoeld in artikel 4:141 BW. In het vervolg van mijn onderzoek zal blijken dat de band tussen de bij dode opgerichte stichting en de last nog steeds sterk is.
Daarnaast is de bij dode opgerichte stichting mij niet helemaal vreemd. Eerder heb ik al een aantal artikelen over de bij dode opgerichte stichting, of onderwerpen die daar nauw mee verwant zijn, geschreven. Deze artikelen dienen mede als basis voor dit proefschrift.4