Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.7.3:5.7.3 Heersende leer ten aanzien van de begrippen betaling en rechtsgrond
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.7.3
5.7.3 Heersende leer ten aanzien van de begrippen betaling en rechtsgrond
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS501222:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 5.3 heb ik onderzocht welke invulling dient te worden gegeven aan de begrippen betaling en rechtsgrond.
Volgens de heersende leer gaat het er bij een prestatie om of hetgeen in concreto is gebeurd, naar zijn objectieve strekking als een prestatie kan worden aangemerkt. Het begrip rechtsgrond moet volgens de parlementaire geschiedenis en de literatuur worden opgevat als het feit dat de prestatie rechtvaardigt. De bedoeling waarmee de prestatie wordt verricht is niet relevant. De gangbare uitleg van het begrip prestatie (of betaling) leidt ertoe dat ook van een verstekeling de waarde van het genoten vervoer kan worden teruggevorderd. Veel auteurs menen op grond van opmerkingen in de parlementaire geschiedenis dat de verrichting van een handeling – ook bij meerpartijenverhoudingen – tot slechts één prestatie kan leiden. Stel dat A een schuld heeft aan B en B aan C. Op verzoek van B verricht A een prestatie aan C. Volgens de heersende leer wordt alleen een prestatie verricht door A aan C, niet tevens door A aan B of door B aan C.
Aan de heersende leer ten aanzien van de begrippen ‘betaling’ en ‘rechtsgrond’ blijkt een aantal bezwaren te kleven. Met name worden niet altijd wenselijke uitkomsten bereikt in meerpartijenverhoudingen. De heersende leer neemt als vertrekpunt van haar redenering een bepaalde invulling van het betalingsbegrip. Dit betalingsbegrip is beperkt doordat slechts een prestatie wordt verricht met een bepaalde handeling. Daardoor worden in sommige meerpartijenverhoudingen niet altijd de partijen aangewezen als verrichter of ontvanger van een prestatie, terwijl het wenselijk is dat zij kunnen terugvorderen of moeten teruggeven als een manco kleeft aan een van de betrokken rechtsverhoudingen.
Stel bijvoorbeeld dat A in opdracht van zijn contractspartij B een prestatie verricht aan C die schuldeiser is van B. Als de overeenkomst AB wordt vernietigd, dient de rechtsverhouding AB tussen deze partijen te worden afgewikkeld aan de hand van de vordering uit onverschuldigde betaling. A heeft echter alleen een betaling in de zin van artikel 6:203 verricht aan C, niet B. A kan daarom niet zijn prestatie terugvorderen van B. In plaats daarvan zou A zijn onverschuldigde betaling aan C kunnen terugvorderen. Dat is onwenselijk als C een goede reden heeft om de prestatie te behouden. Een goede reden is bijvoorbeeld dat hij A heeft mogen zien als hulppersoon van zijn schuldenaar en dat C in schuldeisersverzuim zou komen te verkeren als hij de prestatie van A had geweigerd. C moet daarom worden beschermd tegen de vordering van A, maar voor deze bescherming moet gebruik worden gemaakt van ingewikkelde constructies die niet altijd toereikend zijn.
Bovendien geldt het volgende bezwaar in gevallen waarin de presterende partij (A) op grond van een gebrekkige rechtsverhouding met zijn wederpartij (B) en in diens opdracht heeft gepresteerd aan de ontvanger (C). Als C wordt beschermd, kan A niet alleen geen beroep doen op de vordering uit onverschuldigde betaling tegen ontvanger C, maar ook niet tegen B, degene met wie hij in een rechtsverhouding staat die moet worden afgewikkeld. Immers, volgens de heersende leer is slechts één prestatie verricht. Als A terugbetaling verlangt van degene met wie hij in een rechtsverhouding staat die moet worden afgewikkeld (B), dient A zijn vordering te baseren op artikel 6:212. De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is echter niet altijd geschikt voor het afwikkelen van gebrekkige rechtsverhoudingen. In het vorige hoofdstuk heb ik de heersende leer ten aanzien van artikel 6:212 verworpen en de conclusie getrokken dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking moet worden gereserveerd voor gevallen waarin een inbreuk wordt gemaakt op een exclusieve rechtspositie van een verarmde.
Maar ook als men de heersende leer zou volgen is de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet geschikt voor de afwikkeling van gebrekkige rechtsverhoudingen. De reden is dat 6:212 andere vereisten kent dan artikel 6:203. Artikel 6:203 geeft aan de presterende partij recht op teruggave van zijn prestatie, of – als teruggave niet mogelijk is – op een waardevergoeding artikel 6:203 lid 3 jo. artikel 6:210). Schade is voor het ontstaan van de vordering uit onverschuldigde betaling niet vereist. Daarentegen wordt de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking door de meeste auteurs gezien als een vordering waarmee een verarmde vergoeding van zijn concreet geleden schade kan vorderen tot beloop van de verrijking van de verrijkte. Een dergelijke uitleg van artikel 6:212 leidt tot onwenselijke uitkomsten in gevallen waarin de presterende partij geen concrete schade heeft geleden, of minder dan de waarde van zijn prestatie. De presterende partij kan dan minder terugvorderen op grond van artikel 6:212 dan wanneer hij (de waarde van) zijn prestatie had kunnen terugvorderen op grond van artikel 6:203. Dat zal zich vooral voordoen als de presterende partij een dienst heeft verricht.
Ten slotte wordt het betalingsbegrip van de heersende leer niet consequent toegepast. Zo zou A (de hulppersoon van B) bij een afgekorte betaling wel een prestatie verrichten aan ontvanger C, terwijl bij een girale betaling bank A (de bank van B) geen prestatie zou verrichten aan begunstigde C. Uit de literatuur wordt niet duidelijk waar het onderscheid door wordt gerechtvaardigd. Het onderscheid is volgens mij onwenselijk; in beide gevallen presteert A in opdracht van B. In beide gevallen is het wenselijk dat een gebrekkige rechtsverhouding waarbij B en C partij zijn, wordt afgewikkeld tussen déze partijen.