Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.5.4.5:III.5.4.5 Résumé
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.5.4.5
III.5.4.5 Résumé
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460337:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Algemene regels en vergunningsvoorschriften die de milieurelevante activiteiten van inrichtingen reguleren, zijn gericht tot de drijver van de inrichting. De drijver is degene met feitelijke zeggenschap over de inrichting. Juridische zeggenschap is een aanwijzing, maar op zichzelf niet voldoende (en ook niet altijd noodzakelijk) voor drijverschap. Die zeggenschap moet van dien aard zijn dat de drijver bij een normale gang van zaken kan bewerkstelligen dat binnen de inrichting de toepasselijke voorschriften worden nageleefd. De ondergrens van de zeggenschapstoets is niet zo hoog dat de drijver elke denkbare overtreding moet kunnen voorkomen. Natuurlijke personen met een leidinggevende functie kunnen onder omstandigheden worden aangemerkt als drijver van de inrichting. Er is echter geen algemene typologie te maken van welke leidinggevenden wel- en niet in aanmerking komen voor drijverschap, dit botst met de feitelijke insteek van de zeggenschapstoets. Bovendien verschilt de invulling van de leidinggevende rollen sterk per onderneming, en is het soort zeggenschap dat nodig is ook afhankelijk van de aard en inhoud van de norm.
Binnen één inrichting kunnen meerdere (rechts)personen voldoen aan het zeggenschapscriterium, en dus kunnen er meerdere drijvers zijn. Deze drijvers kunnen in een verticale of horizontale relatie tot elkaar staan. Bij horizontaal meerdrijverschap kunnen twee gevalstypen worden onderscheiden: mededrijverschap en deeldrijverschap. Mededrijverschap houdt in dat verschillende (rechts)personen tezamen zeggenschap hebben over alle activiteiten binnen de inrichting, zonder dat er sprake is van een hiërarchische relatie. Van deeldrijverschap is sprake wanneer verschillende (rechts)personen ieder een apart deel van de activiteiten binnen de inrichting voor hun rekening nemen. Voor de status van drijverschap is dus geen zeggenschap over de héle inrichting vereist, zolang het deel waarover de deeldrijver zeggenschap heeft maar groot genoeg is. Om te bepalen hoe groot dit deel minimaal moet zijn heb ik aansluiting gezocht bij het inrichtingenbegrip: voor deeldrijverschap is zeggenschap nodig over een deel van de inrichting dat op zichzelf al groot genoeg zou zijn om te worden aangemerkt als milieu-inrichting.