Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.2.1
8.2.1 De beperkingen die voortvloeiden uit publiciteit en specialiteit
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS415976:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1219 OBW.
Asser/Van Oven 1967, p. 137; Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 150; Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986, nr. 228, p. 190; Jansen 1994, p. 37 e.v. Anders: Scholten die meende dat een schuldenaar die de onroerende zaak nog niet had gekocht, geen hypotheek kon verlenen bij notariële akte. Zie: Asser/Scholten 1945, p. 470. Ter ondersteuning haalde hij de hypotheek aan die door de verkoper van de onroerende zaak werd bedongen voor de onbetaalde koopprijs ex art. 1227 OBW.
HR 28 oktober 1870, W. 3265.
Er is sowieso weinig veranderd aan het systeem van overdracht en bezwaring van onroerende zaken. Zie: Cohen, ‘Het stelsel van onroerend goed in het Burgerlijk Wetboek van 1838 tot heden’, in: Gedenkboek Burgerlijk Wetboek 1838-1938, p. 365-392; Asser/Scholten 1945, p. 457-8; Asser/Van Oven 1967, p. 123; Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 138-9.
Pitlo 1965, p. 388; Asser/Van Oven 1967, p. 136; Rb Breda 12 september 1990, KG 1990, 338. Vgl. De Vries, ‘Koop met hypothecaire financiering: problematisch?’, in: WPNR 6175 (1995), p. 233.
Vgl. Roes 1970, p. 21; Stein 1986, p. 87.
Artt. 1242 jo. 1209 jo. 1253 OBW.
Langemeijer 1927, p. 152; Hammerstein 1977, p. 97; Vgl. voor het huidige recht: Spath 2010, nr. 149 e.v.; HR 19 november 2004, NJ 2005/199 (ING/Gunning q.q.) m.nt. P. van Schilfgaarde.
Ik kom in §8.4 terug op de zekerheidscessie van vorderingen. De mogelijkheid om toekomstige vorderingen bij voorbaat te cederen, heeft de Hoge Raad onder het OBW niet altijd en nooit onbeperkt aanvaard.
Zie over toegang tot de registers onder het OBW: Konings 1990, p. 53 e.v.
De hypotheekakte moest ‘eene bijzondere opgave van het bezwaarde goed en van deszelfs aard en ligging, naar aanleiding der kadastrale indeeling’ bevatten.1 Een schuldenaar kon niet toekomstige onroerende zaken bij voorbaat verhypothekeren. Artikel 1220 bepaalde immers: ‘Hypotheek kan alleen op tegenwoordige goederen worden gevestigd. Eene hypotheek op toekomstige goederen is nietig.’ Dit artikel was een nadere uitwerking van artikel 1214 waarin stond dat slechts een beschikkingsbevoegde schuldenaar een hypotheekrecht kon vestigen. Hij hoefde pas beschikkingsbevoegd zijn op het moment dat het hypotheekrecht werd ingeschreven.2 De Hoge Raad heeft in 1870 geoordeeld dat het er niet toe deed dat de schuldenaar ten tijde van het verlenen van de hypotheek bij notariële akte beschikkingsonbevoegd was, zolang hij voor de inschrijving van het hypotheekrecht maar beschikkingsbevoegd was geworden.3
In de praktijk leek er geen behoefte te zijn geweest aan de terugkeer van het generale pandrecht op onroerende zaken.4 De regeling van het hypotheekrecht in het OBW is niet ingrijpend gewijzigd en een terugkeer tot het generale pandrecht is niet bepleit. Hiervoor zijn verschillende verklaringen.
Schuldeisers die maximaal onderpand wilden, zorgden ervoor dat ze nauw betrokken waren bij de verkrijging van registergoederen door de schuldenaar. Vooral als de schuldeiser de aankoopprijs ter beschikking stelde, moest hij er op toezien dat de schuldenaar direct bij de verkrijging een eerste hypotheekrecht vestigde ten behoeve van de aankoopfinancier.5 Deze gang van zaken leek een vlot verlopend handelsverkeer niet te hinderen. Redenen hiervoor zijn onder meer dat registergoederen doorgaans niet dagelijks van eigenaar wisselden en dat de schuldeiser de notaris kon machtigen om namens hem op te treden bij het passeren van de akte.6
Het hypotheekrecht bood schuldeisers voldoende zekerheid, omdat het een zakelijk recht was op een doorgaans waardevol registergoed. De schuldenaar kon het recht niet uithollen door de zaak onbezwaard te vervreemden. Tenzij de hypotheekhouder toestemming gaf tot onbezwaarde vervreemding, bleef het hypotheekrecht op de zaak rusten als de schuldenaar de zaak aan een derde vervreemdde.7 Deze toestemming gaf de hypotheekhouder slechts als de verzekerde vordering werd voldaan. In tegenstelling tot het generale pandrecht kwam het hypotheekrecht niet automatisch te rusten op de vordering tot betaling van de koopprijs. Zover reikte het principe van zaaksvervanging onder het OBW niet.8 De aangewezen manier was dat de verkrijger de koopprijs voldeed aan de hypotheekhouder die op zijn beurt afstand deed van zijn hypotheekrecht. Een andere wijze waarop de schuldeiser zijn zekerheid behield, was dat de schuldenaar de vordering tot betaling van de koopprijs aan de hypotheekhouder (bij voorbaat) tot zekerheid cedeerde.9
Het hypotheekrecht bood verder voor latere schuldeisers die zakelijke zekerheid wilden of voor derde-verkrijgers voldoende rechtszekerheid. De combinatie van publiciteit met specialiteit stelde hen in staat om vast te stellen of de zaak al eerder was bezwaard.10 Indien de zaak onbezwaard was, konden zij een eersterangs hypotheekrecht verkrijgen of de zaak onbezwaard in eigendom verkrijgen. Indien de zaak wel was bezwaard, konden zij in overleg treden met de eerste hypotheekhouder. Aangezien registergoederen meestal niet voor de handel waren bestemd, was deze gang van zaken waarschijnlijk niet onredelijk bezwarend voor latere schuldeisers of derde-verkrijgers.