Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/6.3.2
6.3.2 Presentatie van de begrotingsplannen in het voorjaar
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 2013/14, CVII, nr. B, p. 3. Zie ook Kamerstukken I 2012/13, 21 501-20, nr. B en C.
Mede debet aan deze situatie was het feit dat de Commissie pas op 10 april 2013 de diepgaande analyse openbaar maakte. Het kabinet had daarna ook nog tijd nodig om deze analyse in de rapportages mee te nemen. De diepgaande analyse wordt sinds het Europees Semester 2015 echter al in februari openbaar gemaakt in het landrapport. Hierdoor is er meer tijd om de landenspecifieke analyses die vooruitlopen op de landenspecifieke aanbevelingen op nationaal niveau te bespreken voordat de nationale rapportages dienen te worden ingestuurd.
Zo werd ook opgemerkt in het debat over op 25 april 2015, Handelingen II 2012/13, nr. 80, item 3, p. 18.
Kamerstukken I 2013/14, CVII, nr. B, p. 5 en 6.
Kamerstukken II 2014/15, 31 597, nr. 8, p. 1 en 2. De commissie voor de Rijksuitgaven beveelt aan om ook het moment van verzending vast te leggen, Rapport commissie voor de Rijksuitgaven 2014, p. 20.
In het licht van vorenstaande heeft de Eerste Kamer er bij de regering dan ook meermaals op aangedrongen dat zij de nationale programma’s die in het voorjaar worden opgesteld tijdig aanbiedt zodat beide Kamers desgewenst nog de mogelijkheid hebben de conceptprogramma’s volgtijdelijk te bespreken met de verantwoordelijke ministers voordat de definitieve programma’s naar de Commissie worden gestuurd.1 Hierdoor wordt voor- komen dat er een situatie ontstaat zoals in het voorjaar van 2013. Destijds zaten tussen het aanbieden van de programma’s aan de Kamers op 23 april 2013 en het debat erover op 25 april 2013 in de Tweede Kamer slechts twee dagen.2 Twee dagen lijkt voor de Tweede Kamerleden, gelet op het belang van deze documenten, niet voldoende om inhoudelijk kennis te nemen van de programma’s en hierover een opinie te vormen.3 In dit scenario zou de Eerste Kamer bovendien geen mogelijkheid hebben om met de minister in debat te treden over de programma’s.
Om het parlement genoeg tijd te geven om inhoudelijk kennis te nemen van de programma’s, hierover een opinie te vormen en hierover desgewenst met de verantwoordelijke ministers in debat te treden, heeft de minister toegezegd de nationale programma’s tijdig te verzenden aan beide Kamers voordat ze naar de Commissie worden gestuurd.4 Het kabinet streeft ernaar het Nationaal Hervormingsprogramma in de eerste week van april en het Stabiliteitsprogramma in de tweede week van april in te dienen bij de Kamers. Een complicerende factor voor het opstellen van het Stabiliteitsprogramma is volgens het kabinet dat de cijfers van het CEP, die halverwege maart openbaar worden gemaakt, nog moeten worden omgezet in de door de Commissie vereiste standaarden.5 Dat de rapporten in het voorjaar aan de Kamers worden aangeboden is vastgelegd in het wetsvoorstel Comptabiliteitswet 2016. Het moment van verzending is echter niet opgenomen in het wetsvoorstel. Het kabinet vindt dit niet gewenst met het oog op de flexibiliteit die het nodig heeft om te voldoen aan alle proces- en vormvereisten vanuit het Europees Semester.6