Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.1:5.8.9.1 Algemeen
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.1
5.8.9.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648678:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 2:404 lid 5 BW bepaalt wie het recht heeft om tegen de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid in verzet te komen:
Artikel 2:404 lid 5 BW
Tot twee maanden na de aankondiging kan de schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt, tegen het voornemen tot beëindiging verzet doen door een verzoekschrift aan de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is.
De vraag wie op basis van artikel 2:404 lid 5 BW het recht heeft om in verzet te komen, heeft de rechtspraak en de literatuur behoorlijk beziggehouden. In deze discussie stond de vraag centraal hoe hard een vordering moet zijn die een partij op de vrijgestelde rechtspersoon pretendeert te hebben om te kwalificeren als schuldeiser van een vordering waarvoor nog aansprakelijkheid loopt zoals bedoeld in artikel 2:404 lid 4 BW. Het hebben van een (voldoende) harde vordering is nodig om ontvankelijk te worden verklaard in de verzetsprocedure.
De discussie omtrent de hardheid van de vordering doet denken aan de discussie die eerder werd gevoerd omtrent de vraag of een pandhouder met een pandrecht op een vorderingsrecht van een vrijgestelde rechtspersoon een beroep kon doen op een 403-verklaring. Indien dat het geval zou zijn, zou de pandhouder dan ook verzet kunnen aantekenen tegen de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid net zoals een schuldeiser?
In de navolgende paragrafen zal nader in worden gegaan op de vraag welke partijen worden aangemerkt als schuldeiser in de zin van artikel 2:404 lid 5 BW.