Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/3.4.2.1.2
3.4.2.1.2 Voorstel voor een zesde richtlijn: uitbreiding
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291590:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 4 lid 3, onderdeel a Voorstel voor een zesde richtlijn.
Punt 7 van de considerans van het Voorstel voor een zesde richtlijn.
Toelichting op art. 4 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 751.
In gelijke zin: D.B. Bijl, ‘Het ontwerp zesde richtlijn inzake omzetbelasting (I)’, WFR 1974/305, D.B. Bijl, ‘Onroerend goed en omzetbelasting: enige aspecten van de regeling voor onroerende goederen in de zesde richtlijn omzetbelasting’, WFR 1977/1101, D.B. Bijl, ‘De ondernemer in de huidige omzetbelastingwetgeving en de belastingplichtige in de zesde richtlijn inzake omzetbelasting’, WFR 1977/1205, MvT, Kamerstukken II, 1977/78, 14 887, nr. 3, p. 18-19, C.P. Tuk, Wet op de omzetbelasting 1968, Deventer: Kluwer 1979, p. 90, A.H.R.M. Denie, ‘De quasi-ondernemer in de omzetbelasting’, WFR 1978/995, D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 47-48 en C.L. van Lindonk, De onderneming en haar fiscale verschijningsvormen (diss.), Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 152.
Op grond van art. 4 Tweede Richtlijn was belastingplichtig: ieder die zelfstandig en regelmatig, met of zonder winstoogmerk, handelingen verricht welke tot de activiteiten van een producent, handelaar of dienstverrichter behoren. Lidstaten hadden echter op grond van de toelichting op dit artikel in Bijlage A, punt 2 bij de Tweede Richtlijn de bevoegdheid om ieder die de in art. 4 Tweede Richtlijn vermelde handelingen niet regelmatig verricht, eveneens als belastingplichtige aan te merken.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 45.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 49.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 49.
In de richtlijnhistorie komt de ‘exploitatie van een (on)lichamelijke zaak’ voor het eerst voor in art. 4 Voorstel voor een zesde richtlijn. In het eerste lid van dit artikel werd voorgesteld om als belastingplichtige te beschouwen:
“ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig en regelmatig handelingen verricht welke behoren tot een economische bedrijvigheid [activiteit; MvdW) als omschreven in lid 2, of die slechts één van de in lid 3 vermelde handelingen niet regelmatig verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die bedrijvigheid of van die handeling.”
In dit artikellid wordt derhalve een onderscheid gemaakt tussen ‘degene die regelmatig handelingen verricht die behoren tot een economische activiteit’ en ‘degene die één van de in lid 3 genoemde handelingen niet regelmatig verricht’. Eén van de in art. 4 lid 3 Voorstel voor een zesde richtlijn vermelde incidentele handelingen is ‘de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er op min of meer duurzame wijze een opbrengst uit te verkrijgen’.1 De reden voor de belastingplicht voor deze incidentele handeling is gelegen in het ‘waarborgen van een betere fiscale neutraliteit’.2 In de toelichting op art. 4 Voorstel voor een zesde richtlijn merkt de Europese Commissie hierover het volgende op:
“Deze nieuwe definitie van belastingplichtigen getuigt van het streven de werkingssfeer van de belasting over de toegevoegde waarde in overeenstemming met het karakter van een algemene verbruiksbelasting uit te breiden tot elke vorm van economische bedrijvigheid [alle economische activiteiten; MvdW], ongeacht de plaats waar deze wordt uitgeoefend, alsmede tot handelingen welke eveneens behoren tot een economische bedrijvigheid [economische activiteit; MvdW], doch die afzonderlijk of niet regelmatig kunnen worden verricht. De belastingheffing op dergelijke handelingen vloeit voort uit het streven naar neutraliteit van de belastingheffing, zulks met name op het gebied van de levering van onroerende goederen.”3
Uit deze toelichting is in de eerste plaats af te leiden dat de belastingplicht voor de exploitatie van een (on)lichamelijke zaak om er op min of meer duurzame wijze een opbrengst uit te verkrijgen een uitbreiding is van de werkingssfeer van de btw.4 Dit betekent dat deze activiteit op grond van art. 4 Tweede Richtlijn – en de daarin vervatte regelmatigheidseis – niet leidde tot belastingplicht.5 In de tweede plaats volgt uit deze toelichting dat de reden voor deze uitbreiding is gelegen in het voorkomen van het verstoren van de concurrentieneutraliteit. Bours heeft reeds opgemerkt dat het probleem van vastgoedtransacties is dat belastingplichtigen – daaronder verstaat hij ondernemingen (lees: producenten, handelaars en dienstverrichters)6 – en particulieren elkaars concurrenten zijn.7 Dit probleem doet zich ook voor bij de exploitatie van vastgoed, zoals de verhuur van onroerend goed. De belastingplicht voor de exploitatie van vastgoed voorkomt dat de afnemer, afhankelijk van de vraag of en, zo ja, in welke mate hij recht op btw-aftrek heeft, een btw-voordeel zou kunnen behalen door zich tot een onderneming (heffing) of een particulier (geen heffing) te wenden.8