Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.4.3
4.4.3 Bevoegdheid tot vaststelling van Europese soft law
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS401930:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld artikel 60 VWEU waarin is neergelegd dat de Commissie de lidstaten aanbevelingen doet wat betreft de liberalisering der diensten. In artikel 288 VWEU is bepaald dat aanbevelingen en adviezen niet-bindend zijn.
Zie hieromtrent Hofmann, Rowe & Trk 2011, p. 568, Senden 2004, p. 312 e.v.
Zie Senden 2004, p. 313.
Senden 2004, p. 313.
Luijendijk & Senden 2011, p. 319. Zie ook Heike Adam 1999, p. 94.
HvJEG 15 september 1994, C-146/91 (KYDEP/Raad en Commissie), Jur. 1994, p.1-4199, r.o. 30.
HvJEG 6 april 2000, C-443/97 (Spanje/Commissie), Jur. 2000, p. 1-2415, r.o. 31.
Zie HvJEU 2 december 2010, C-464/09P (Holland Malt/Commissie), Jur. 2010, p. 1-12443, r.o. 46; HvJEG 11 september 2008, gevoegde zaken C-75/05P en C-80/05P (Duitsland e.a./ Kronofrance), Jur. 2008, p.1-6619, r.o. 60 en 61; HvJEG 29 april 2004, C-91/01 (Italië/Commissie), Jur. 2004, p. 1-4355, r.o. 45; HvJEG 13 februari 2003, C-409/00 (Spanje/Commissie), Jur. 2003, p. 1-1487, r.o. 69 en 95. Uit deze uitspraken blijkt impliciet dat de Commissie bevoegd is om gedragsregels vast te stellen ten aanzien van de toepassing van artikel 107, derde lid, VWEU. Zie ook HvJEG 13 juni 2002, C-382/99 (Nederland/Commissie), Jur. 2002, p. 1-5163, r.o. 24; HvJEG 7 maart 2002, C-310/99 (Italië/Commissie), Jur. 2002, p. 1-2289, r.o. 52; HvJEG 5 oktober 2000, C-288/96 (Duitsland/Commissie), Jur. 2000, p.1-8237, r.o. 62. In deze uitspraken wordt expliciet overwogen dat de Commissie richtsnoeren kan vaststellen. Zie verder nog HvJEG 17 juni 1999, C-75/97 (België/Commissie), Jur. 1999, p. 1-3671, r.o. 56; HvJEG 14 januari 1997, C-169/95 (Spanje/Commissie), Jur. 1997, p.1-315, r.o. 19; HvJEG 15 oktober 1996, C-311/94 (IJssel-Vliet), Jur. 1996, p. 1-5023, r.o. 34. Zie omtrent het gebruik van soft law in het staatssteunrecht Cini 2001; Aldestam 2004; Senden & Hancher 2000, Cananea 1993 en Rawlinson 1993.
Zie bijvoorbeeld HvJEU 2 december 2010, C-464/09P (Holland Malt/Commissie), Jur. 2010, p. 1-12443, r.o. 46.
HvJEG 6 april 2000, C-443/97 (Spanje/Commissie), Jur. 2000, p. 1-2415. Een soortgelijke jurisprudentielijn bestaat in het kader van het mededingingsrecht. Zie bijvoorbeeld GvEA 8 oktober 2008, T-73/04 (Le Carbone-Lorraine/Commissie), Jur. 2008, p. II-2661 waarin het Gerecht overweegt dat de Commissie door richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van verordening nr. 17 worden opgelegd (Pb. 1998, C 9, p. 3) vast te stellen en via de publicatie ervan te doen weten dat zij ze voortaan zal toepassen op de desbetreffende gevallen, de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beperkt. Zie ook HvJEG 28 juni 2005, gevoegde zaken C-189/02P, C-202/02P, C-205/02P - C-208/02P en C-213/02P (Dansk Rorindustri e.a./Commissie), Jur. 2005, p. 1-5425, r.o. 211. Zie omtrent soft law in het mededingingsrecht verder Luijendijk & Senden 2011, p. 320-321 en Sanchez Graells 2010.
Pb. 2006, L 291/11. Zie wat betreft dergelijke richtsnoeren in eerdere programmaperioden Heike Adam 1999, p. 113-114.
Zie artikel 4 van het Commissiebesluit van 26 april 2007 betreffende de verantwoordelijkheden van respectievelijk de lidstaten, de Commissie en de nationale agentschappen bij de uitvoering van het programma op het gebied van een leven lang leren (2007-2013), niet gepubliceerd, kenmerk C (2007) 1807 def. Ingevolge het vierde lid van dat artikel geeft de Commissie de 'Gids voor de nationale agentschappen' uit. In het Commissiebesluit van 30 april 2007 omtrent de verantwoordelijkheden van respectievelijk de lidstaten, de Commissie en de Nationale Agentschappen bij de uitvoering van het programma Jeugd in actie, niet gepubliceerd, kenmerk C (2007) 1828 def, staat een soortgelijke bepaling ten aanzien van Jeugd in Actie.
In het VWEU is op diverse plaatsen de bevoegdheid neergelegd om aanbevelingen en adviezen vast te stellen.1 Echter, uit de vorige paragraaf blijkt dat het bij de Europese soft law die de Commissie vaststelt in het kader van de uitvoering van Europese subsidieregelingen juist niet om aanbevelingen en adviezen gaat. In de Europese verdragen zijn geen bevoegdheden neergelegd voor het vaststellen van interpretatieve en decisoire soft law door de Europese Commissie. Voor deze categorie Europese soft law geldt dat de bevoegdheid om deze soft law vast te stellen een impliciete is.2 De bevoegdheden die aan de Commissie zijn toegekend in bijvoorbeeld de Europese subsidieregelingen en wat betreft het staatssteunrecht in artikel 107 en 108 VWEU impliceren dat niets zich ertegen verzet dat zij ook bevoegd is interpretatieve en decisoire soft law vast te stellen.3 Deze interpretatie is inherent aan het systeem van de Eu-verdragen en nodig om de doelstellingen van de Europese verdragen en het nuttig effect van het Europese recht te realiseren.4
De bevoegdheid tot het vaststellen van interpretatieve Europese soft law en de niet-formele sturingsinstrumenten vindt uiteindelijk zijn grondslag in de taakstelling van de Commissie als hoedster van de Verdragen.5 Deze taak is neergelegd in artikel 17, eerste lid, VEU waarin onder meer is bepaald dat de Commissie het algemeen belang van de Unie bevordert, daartoe 'passende initiatieven' neemt en op de toepassing ziet van zowel de Verdragen als de maatregelen die de instellingen krachtens deze verdragen vaststellen. Het voorgaande wordt ondersteund door het arrest van het Hof van Justitie in de zaak KYDEP. In dit arrest overweegt het Hof: 'Als hoedster van het gemeenschapsrecht en beheersorgaan van het EOGFL is de Commissie immers bevoegd de lidstaten te herinneren aan de gemeenschapsregels die zij moeten toepassen en in het kader van haar samenwerking met de nationale administraties haar eigen uitleggen ervan te geven.'6
De juridische fundering van decisoire soft law is volgens Luijendijk en Senden primair te herleiden tot de bestuurstaak van de Commissie. Deze taak is eveneens neergelegd in artikel 17 VEU: de Commissie oefent coordinerende, uitvoerende en beheerstaken uit onder de bij de Verdragen bepaalde voorwaarden, zoals uitgewerkt in de Europese subsidieverordeningen bijvoorbeeld in de Coördinatieverordening.7 Het Hof van Justitie heeft met name op het gebied van het staatssteunrecht al meerdere keren overwogen dat de Commissie bevoegd is om richtsnoeren vast te stellen ter invulling van de aan haar bij de toepassing van artikel 107 VWEU toekomende ruime beoordelingsvrijheid.8 Door gedragsregels vast te stellen en via de publicatie ervan te doen weten dat zij die zal toepassen op de desbetreffende gevallen, beperkt de Commissie de uitoefening van haar beoordelingsvrijheid, aldus het Hof van Justitie.9 Uit deze jurisprudentie volgt dat geen bezwaar bestaat tegen het vaststellen van (decisoire) soft law. Het arrest Spanje/Commissie laat hetzelfde zien ten aanzien van decisoire soft law die wordt vastgesteld in het kader van de uitvoering van Europese subsidieregelingen.10
In dit arrest ging het om de interne richtsnoeren van de Commissie van 15 oktober 1997 betreffende de netto financiële correcties in het kader van artikel 24 van de Coeirdinatieverordening. Het Koninkrijk Spanje vraagt aan het Hof van Justitie om nietigverklaring van deze richtsnoeren, omdat voor de vaststelling geen bevoegdheid zou bestaan. Het Hof overweegt dat niets de Commissie belet om, teneinde ten volle gebruik te maken van de machtiging om de bijstand te verminderen of te schorsen, interne richtsnoeren betreffende de financiële correcties in het kader van artikel 24 van de Coördinatieverordening vast te stellen en de betrokken diensten opdracht te geven om deze toe te passen. Die interne richtsnoeren dragen er integendeel toe bij, te verzekeren dat wanneer de Commissie krachtens die bepaling beschikkingen vaststelt, de lidstaten of de door hen aangewezen autoriteiten in vergelijkbare situaties gelijk worden behandeld. Ook kunnen dergelijke richtsnoeren de transparantie van de tot de lidstaten gerichte individuele beschikkingen versterken. Het Hof verklaart het beroep van de lidstaat Spanje niet-ontvankelijk omdat interne richtsnoeren waarin de Commissie haar voornemen tot uitdrukking brengt een bepaalde gedragslijn te volgen, volgens het Hof van Justitie niet kunnen worden beschouwd als gericht op het teweegbrengen van rechtsgevolgen (zie r.o. 34).
Voor de niet-formele sturingsinstrumenten geldt dat soms een grondslag in een Europese subsidieverordening is neergelegd. Een voorbeeld hiervan bieden de communautaire richtsnoeren inzake cohesie van de Raad die worden vastgesteld op grond van artikel 25 van de Verordening nr. 1083/2006.11 De bevoegdheid van de Europese Commissie tot het uitgeven van Gidsen voor de Nationale Agentschappen in het kader van Jeugd in Actie en Een Leven Lang Leren is neergelegd in besluiten van de Commissie die niet zijn gepubliceerd.12