Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.12.1
4.7.12.1 Algemeen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503646:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 6 april 1979, NJ 1980/34 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1979/356 m.nt. J.R. Stellinga (Reuvers/Zwolle of Kleuterschool Babbel).
Rb. ‘s-Gravenhage 19 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0236, r.o. 4.9, slot (Bouwvergunning Katwijk).
Vgl. nog Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, r.o. 2.17-2.18 (Appartementencomplex Rijssen-Holten) en Rb. Overijssel 29 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4798 (Nijhof/Overijssel en DLV).
Hof Arnhem 11 maart 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC8598 (Staat/Achmea).
Vgl. Scheltema & Scheltema 2013, p. 414.
Scheltema 2013, p. 264.
Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, r.o. 2.12-2.16 (Appartementencomplex Rijssen-Holten) en Rb. Overijssel 5 december 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:4872, r.o. 5.7 en 5.10 (Kamerverhuur Goor).
Vgl. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2023, r.o. 4.4 (Reestman Noord).
Vgl. de conclusie van A-G Spier, onder 7.4-7.5.2, voor HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7774 (Kuijpers/Valkenswaard), Hof ‘s-Hertogenbosch 17 juni 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AH9155, r.o. 4.7 (‘s-Hertogenbosch/ Grasgroep) Hof ’s-Hertogenbosch 7 juli 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ2227, r.o. 4.14 (LPG-vulpunt Uden I) en Rb. Zwolle-Lelystad 26 januari 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:AS3863, r.o. 3.24 (Lunchroom Lübeck). Zie echter Rb. Overijssel 17 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3126 en in hoger beroep Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554 (Appartementencomplex Rijssen-Holten). De Kok 2002, p. 684 meent zelfs dat het de voorkeur verdient dat mondelinge informatieverstrekking sowieso geen aanspraak op schadevergoeding schept.
Zie hierover Damen 2018, p. 60-65 en p. 80-84. Als oplossingen voor deze bewijsproblemen zijn bijvoorbeeld het invoeren van een schriftelijkheidseis bij bestuurlijke oordelen (Van Ommeren & Huisman 2013, p. 76) en het overheidscontract voor overheidsbeloften (Kortmann 2018, p. 165) genoemd.
Vgl. Damen 2018, p. 41.
Vgl. Hof Arnhem 17 juli 2007, te kennen uit de conclusie van A-G Keus voor HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1130 (Bouwval Voorst).
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10344, r.o. 4.10 (Erfpacht De Fryske Marren), Rb. ‘s-Gravenhage 13 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2576, r.o. 4.7 (Vloerpeil Pijnacker-Nootdorp) en Rb. Utrecht 8 mei 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BD5814, r.o. 4.4 (Afhaalcentrum Amersfoort).
Vgl. Rb. ‘s-Gravenhage 2 september 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BL7273, r.o. 4.9 (Windturbinepark Delfzijl), Rb. Dordrecht 25 april 2012, ECLI:NL:RBDOR:2012:BW 4478, r.o. 2.12 (De Erasmus Dordrecht), Rb. Gelderland 10 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:716, r.o. 4.9 (Principebesluit Brummen) en voor het nalaten informatie te verstrekken Hof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2010, JB 2014/181 m.nt. S.A.L. van de Sande, r.o. 3.19 (Van Beest/Zwartewaterland).
Vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 6 november 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7864, r.o. 4.4.2 (Champignonkwekerij Moerdijk) en Rb. Dordrecht 25 april 2012, ECLI:NL:RBDOR:2012:BW4478, r.o. 2.10-2.11 (De Erasmus Dordrecht).
Vgl. HR 22 maart 1996, NJ 1996/668 m.nt. W.M. Kleijn, r.o. 3.3 (Kromjongh/Erven Van Dijk), waarin de reikwijdte van de rechercheplicht van de notaris centraal staat.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY7111, r.o. 4.16 (Veiligheidstrappenhuis Bunnik), Hof ‘s-Hertogenbosch 2 november 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3229, r.o. 3.9.1 (LPG-vulpunt Uden II), Rb. ‘s-Gravenhage 2 september 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BL7273, r.o. 4.9 (Windturbinepark Delfzijl) en – met name – Rb. Zutphen 28 januari 2004, ECLI:NL:RBZUT:2004:AO5354, r.o. 5.4 e.v. (Woningbouw Bergh). Anders: Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727, r.o. 4.2-4.3 (Principebesluit Zwijndrecht).
Vgl. Hof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY7111, r.o. 4.16 (Veiligheidstrappenhuis Bunnik), Rb. ‘s-Gravenhage 14 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1582, r.o. 2.8 (SCS/Teylingen) en Rb. Overijssel 17 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3126, r.o. 4.3.3 (Appartementencomplex Rijssen-Holten). Zie ook Hof Den Haag 19 januari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:18, r.o. 11 (Informatieavond Rotterdam).
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, r.o. 2.13 (Appartementencomplex Rijssen-Holten) en Rb. Gelderland 10 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:716 (Principebesluit Brummen).
Naast de aard van de rechtsverhouding is de aard van de informatie een relevante categorie van gezichtspunten (paragraaf 4.7.8). Binnen deze categorie zijn onder meer de complexiteit en traceerbaarheid van de betrokken informatie van belang. Op zichzelf wijzen deze omstandigheden, zoals in paragraaf 4.7.7 in het algemeen is gesteld over ‘open gezichtspunten’, niet in een bepaalde richting.1 Steeds zal in samenhang met de overige omstandigheden van het geval moeten worden bezien of, bijvoorbeeld, de omstandigheid dat het gaat om een ingewikkeld vraagstuk pleit voor of tegen het aannemen van een gerechtvaardigd vertrouwen. Enerzijds kan immers worden gezegd dat bij een eenvoudige kwestie minder snel aanleiding bestaat om (nader en/of eigen) onderzoek te verrichten, omdat eerder aanleiding bestaat om te vertrouwen op de deskundigheid van de overheid. Anderzijds is het doen van onderzoek naar de juistheid van informatie over een eenvoudige kwestie minder bezwaarlijk in termen van tijd, kosten en moeite. Bij een complexe kwestie geldt eveneens dat het gaat om communicerende vaten. Enerzijds bestaat daarbij minder snel aanleiding om op de juistheid van de informatie te vertrouwen, terwijl, anderzijds, het verrichten van (nader) eigen onderzoek eerder bezwaarlijk of zelfs nagenoeg onmogelijk kan worden genoemd.
Een voorbeeld van deze laatste situatie kan worden gevonden in een uitspraak van de Rechtbank ‘s-Gravenhage, waarin ten onrechte een achtergevelrooilijn op een bestemmingsplankaart over het hoofd was gezien door een gemeenteambtenaar.2 De betreffende burger had de plankaart voorgelegd aan twee aannemers, die de rooilijn ook niet hadden opgemerkt. Volgens de rechtbank behoefde van de burger niet te worden verwacht dat hij nog nader onderzoek verrichte, nu de achtergevelrooilijn kennelijk niet eenvoudig uit de bestemmingsplankaart was te destilleren.3
In elk geval speelt een rol of het gemakkelijk is om de betrokken informatie (zelf) te bemachtigen, en of men hierover ook los van de overheid de beschikking kan krijgen. Als de overheid bijvoorbeeld een monopoliepositie bekleedt, in de zin dat zij als enige partij over bepaalde informatie beschikt, deze feitelijk als enige verstrekt of juridisch als enige mag verstrekken, dan ontbreekt een reële mogelijkheid om de juistheid van de gegeven informatie te (doen) verifiëren.4 De burger mag dan eerder varen op wat hem van overheidswege wordt medegedeeld.5 Volgens Scheltema kan met name bij informatie die op verzoek wordt verstrekt van de burger worden verwacht dat hij de informatie tot op zekere hoogte controleert, en speelt dit in mindere mate bij informatie die uit eigen beweging wordt verstrekt.6 Verder stelt hij dat minder van de burger kan worden gevergd bij informatie van de overheid over eigen beleid of regelgeving dan bij andersoortige informatie.
De wijze waarop de informatie wordt verstrekt is ook een (zeer) relevant gezichtspunt, te beginnen met de overtuiging van de informatieverstrekker. Gebruikt deze zeer stellige of enigszins aarzelende bewoordingen?7 Gaat het om logisch klinkende informatie of is deze zeer verstrekkend en misschien reeds daarom onaannemelijk?8 Onder de modus van de informatieverstrekking kan voorts een aantal aspecten worden begrepen, zoals het (karakter van het) gebruikte medium. Hierbij kan worden gedacht aan de stelregel dat eerder vertrouwen mag worden ontleend aan informatie die schriftelijk wordt verstrekt dan aan informatie die mondeling wordt verstrekt,9 nog daargelaten eventuele – wellicht onoverkomelijke – bewijsproblemen die zich vaker zullen voordoen bij mondelinge dan bij schriftelijke informatieverstrekking.10 De categorieën van mondelinge en schriftelijke informatieverstrekking kunnen weer verder worden onderverdeeld.11 Denk bijvoorbeeld aan een handgeschreven opmerking ten opzichte van getypte informatie in een brief12 of aan telefonische informatieverstrekking ten opzichte van mondelinge informatieverstrekking aan het gemeenteloket of tijdens een persoonlijk onderhoud met de behandelend ambtenaar.13
Men zou ook kunnen denken aan opzettelijk onjuiste informatieverstrekking. Hoewel vanuit rechtsstatelijk oogpunt te hopen is dat doleuze informatieverstrekking niet voorkomt, is opzet vanzelfsprekend een zwaarwegend gezichtspunt dat vóór het aannemen van onrechtmatigheid pleit.14 Verder kan betekenis toekomen aan de frequentie van de informatieverstrekking: op herhaaldelijk verstrekte onjuiste informatie mag eerder worden vertrouwd.15 Aan het tijdstip en het forum van de informatieverstrekking kan evenmin worden voorbijgegaan. Uitermate van belang is in welk stadium de contacten tussen de overheid en de burger zich bevinden. In een fase van vooroverleg moet er bijvoorbeeld rekening mee worden gehouden dat de overheid nog geen uitputtend onderzoek naar de feitelijke en/of juridische situatie heeft uitgevoerd, terwijl de plannen van de burger misschien onvoldoende houvast bieden voor adequate informatieverstrekking die specifiek op die situatie is toegesneden. De overheid moet de relevante gegevens voldoende nauwkeurig kunnen raadplegen, waartoe de burger haar de gelegenheid dient te bieden, bijvoorbeeld door tijdig navraag te doen op een wijze die voldoende houvast biedt wat betreft de vraagstelling.16 Als dit niet geschiedt, moet de burger er onder omstandigheden rekening mee houden dat de gedane uitlatingen van overheidswege op een voorlopige standpuntbepaling zouden kunnen berusten.17 Hetzelfde geldt voor informatie die wordt verstrekt tijdens een eerste, informeel, weinig concreet, verkennend of oriënterend gesprek.18 Dit geldt overigens in de regel, maar niet steeds.19
In het navolgende worden enkele gezichtspunten binnen de categorie van de aard van de informatie nader uitgewerkt. Onder meer de relevantie van het gerichte of ongerichte karakter van de informatie (onder 4.7.12.2), het contra legem-karakter van de informatieverstrekking (onder 4.7.12.3), de rol van het voorbehoud (onder 4.7.12.4) en het gebruik van disclaimers (onder 4.7.12.5) worden besproken.