Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/6.5.3:6.5.3 Conclusie A-G Vlas inzake D Group-Schreurs
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/6.5.3
6.5.3 Conclusie A-G Vlas inzake D Group-Schreurs
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS303650:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 2.3 van die conclusie.
Thans art. 10:118 BW.
Thans art. 10:119 BW.
Zie onderdeel 2.4 van de conclusie van de A-G.
Zie onderdeel 2.5 van de conclusie van de A-G.
Zie onderdeel 2.6 van de conclusie van de A-G.
Zie voetnoot 9 van de conclusie van de A-G.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
A-G Vlas merkt in zijn conclusie1 op dat het Nederlands internationaal privaatrecht uitgaat van het incorporatiestelsel, neergelegd in art. 2 van de Wcc (oud).2 Krachtens deze bepaling wordt een corporatie beheerst door het recht van de Staat volgens welke zij is opgericht en waar zij ingevolge de oprichtingsovereenkomst of akte van oprichting haar zetel heeft of – bij gebreke daarvan – haar centrum van optreden naar buiten ten tijde van de oprichting heeft. Art. 3 van de Wcc (oud)3 geeft aan welke onderwerpen door het op de corporatie toepasselijke recht worden beheerst. De opsomming van onderwerpen in art. 3 van de Wcc (oud) is niet limitatief. De A-G wijst in dit kader met name op art. 3 sub d. en sub e van de Wcc (oud). De A-G vervolgt met de opmerking dat art. 2:11 BW beoogt te voorkomen dat een bestuurder de op hem rustende aansprakelijkheid kan ontlopen doordat hij het bestuurderschap door een (door hem gecontroleerde) rechtspersoon laat vervullen. Art. 2:11 BW bepaalt volgens de A-G dat de aansprakelijkheid die op de rechtspersoon-bestuurder rust tevens hoofdelijk komt te rusten op de bestuurder van deze rechtspersoon-bestuurder.4
De verhouding tussen de Nederlandse vennootschap D Freight en haar bestuurders wordt – aldus de A-G – door Nederlands recht beheerst als het incorporatierecht van D Freight.5 Nederlands recht beheerst derhalve op de voet van art. 3 Wcc (oud) de aansprakelijkheid van D Group als bestuurder van D Freight. D Group zelf is onderworpen aan Belgisch recht. Zij is namelijk naar Belgisch recht opgericht en heeft in België haar (statutaire) zetel (art. 2 Wcc (oud)). Dat staat echter niet in de weg aan de aansprakelijkheid uit hoofde van art. 2:11 BW (aldus nog steeds de A-G). Daarentegen zal deze Nederlandse bepaling niet kunnen doorwerken in de relatie tussen D Group en haar bestuurders, omdat Belgisch recht als het incorporatierecht van D Group deze verhouding beheerst. Het Nederlandse recht kan volgens A-G Vlas in deze verhouding niet “inbreken”. Terecht heeft het Hof – aldus de A-G – op grond van het Nederlandse incorporatierecht geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat D Group als rechtspersoon-bestuurder van D Freight een vennootschap naar Belgisch recht is, niet meebrengt dat art. 2:11 BW niet van toepassing is.6 De verhouding tussen de Belgische vennootschap en haar bestuurder(s) wordt beheerst door het Belgische (incorporatie)recht, waarin het Nederlandse recht niet kan inbreken. Anders dan het onderdeel stelt, wordt volgens de A-G door de toepasselijkheid van art. 2:11 BW op (tweedegraads) rechtspersoon-bestuurder D Group – waardoor (slechts) hÁÁr aansprakelijkheid wordt vastgesteld – niet ingegrepen in de door Belgisch recht beheerste vennootschapsrechtelijke verhoudingen tussen D Group en haar bestuurder(s). ’s Hofs oordeel geeft dan ook – naar de mening van de A-G – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
De A-G wijst op het feit dat D Group in haar verweer verwijst naar De Groot 2006, nr. I.C.7.C, p. 119.7 Aldaar wordt opgemerkt dat art. 2:11 BW niet van toepassing is op buitenlandse rechtspersonen die in Nederland als bestuurder van een rechtspersoon optreden. De A-G merkt op dat De Groot hier vermoedelijk mee zal bedoelen dat art. 2:11 BW niet van toepassing is op de verhouding tussen de buitenlandse rechtspersoon-bestuurder en zijn bestuurders. De andere opvatting die inhoudt dat art. 2:11 BW niet van toepassing is op een buitenlandse rechtspersoon die als bestuurder optreedt van een Nederlandse rechtspersoon is volgens de A-G onjuist, omdat zij miskent dat deze verhouding wordt beheerst door het Nederlandse incorporatierecht.