Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.4.4.6
6.4.4.6 Voorbereidende en hulpwerkzaamheden
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS394052:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 23 van het OESO-Commentaar op art. 5 OESO-Modelverdrag.
C. van Raad/F.P.G. Pötgens en G.W.T. Janssen, a.w., paragraaf 3.2.4.C, d.
Paragraaf 24 van het OESO-Commentaar op art. 5 OESO-Modelverdrag.
Paragraaf 25 van het OESO-Commentaar op art. 5 OESO-Modelverdrag.
Paragraaf 26 en 28 van het OESO-Commentaar op art. 5 OESO-Modelverdrag.
Paragraaf 27 van het OESO-Commentaar op art. 5 OESO-Modelverdrag.
C. van Raad/F.P.G. Pötgens en G.W.T. Janssen, a.w., paragraaf 3.2.4.C, d.
In art. 5, vierde lid, OESO-Modelverdrag staat een aantal situaties genoemd waarin er geen sprake is van een vaste inrichting, ondanks het feit dat aan de voorwaarden van art. 5, eerste lid, OESO-Modelverdrag is voldaan. Het gaat om voorbereidende en hulpwerkzaamheden. Dit betreft:
het gebruik van inrichtingen uitsluitend voor de opslag, uitstalling of levering van goederen of koopwaar die eigendom is van de onderneming;
het aanhouden van een aan de onderneming toebehorende voorraad goederen of koopwaar uitsluitend voor de opslag, uitstalling of levering;
het aanhouden van een aan de onderneming toebehorende voorraad goederen of koopwaar uitsluitend voor het bewerken van deze goederen door een andere onderneming;
het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend voor het aankopen van goederen of koopwaar of het verzamelen van informatie voor de onderneming;
het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend voor een andere voorbereidende of hulpactiviteit;
het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend voor een combinatie van de onder a tot en met e genoemde werkzaamheden onder de voorwaarde dat de activiteiten als geheel als voorbereidende of hulpactiviteiten kunnen worden aangemerkt.
De reden waarom dergelijke vaste bedrijfsinrichtingen niet als vaste inrichting worden aangemerkt, is gelegen in het feit dat zij wel bijdragen aan de productiviteit van de onderneming, maar zij zo ver weg zijn gelegen van de feitelijke winstrealisatie dat het lastig is om aan de inrichting winst toe te rekenen.1 Het is de bedoeling dat de uitzonderingen de internationale handel bevorderen en administratieve vereenvoudiging met zich brengen.2 Als de activiteiten van de bedrijfsinrichting gelijk zijn aan de hoofdactiviteiten van de onderneming is geen sprake van een voorbereidende of hulpactiviteit. Als de hoofdactiviteit het leveren van patenten en know how is, valt een vaste bedrijfsinrichting die dat doet niet onder de hierboven genoemde situatie e. Een bedrijfsinrichting van waaruit het management wordt uitgeoefend kan nooit onder art. 5, vierde lid, OESO-Modelverdrag vallen.3 Van voorbereidende of hulpactiviteiten is ook geen sprake wanneer de onderneming een vaste bedrijfsinrichting heeft voor de levering van reserveonderdelen voor machines aan klanten en daar bovenop de machines onderhoudt en repareert.4 De werkzaamheden genoemd onder a tot en met f moeten worden uitgeoefend ten behoeve van de onderneming. Worden zij ook verricht voor derden dan zijn de uitzonderingen van art. 5, vierde lid, OESO-Modelverdrag niet van toepassing.5 De onder f genoemde situatie geldt niet wanneer de onderneming verschillende bedrijfsinrichtingen heeft als bedoeld in a tot en met e en deze inrichtingen niet geografisch en organisatorisch gescheiden zijn en hun werkzaamheden in hun totaliteit beschouwd niet als voorbereidende of hulpwerkzaamheden kunnen worden gezien. Inrichtingen zijn niet organisatorisch gescheiden wanneer zij complementaire functies hebben, zoals het opslaan van goederen in de ene inrichting en het distribueren van de goederen via een andere inrichting.6 Volgens Van Raad/Pötgens en Janssen lijkt de beoordeling of sprake is van een hulpwerkzaamheid niet naar absolute maatstaven plaats te vinden, maar binnen het kader van de betrokken onderneming te worden beoordeeld.7 Het bepaalde in art. 5, vierde lid, OESO-Modelverdrag geldt niet in de Nederlandse heffingswetten en bij toepassing van het BVDB 2001. De Nederlandse heffingswetten en art. 2 BVDB 2001 kennen deze uitzonderingen op het begrip vaste inrichting niet. Van een vaste inrichting in de zin van art. 2 BVDB 2001 is evenwel geen sprake indien slechts goederen in commissie worden gehouden op grond van art. 2, derde lid, BVDB 2001.