Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/3.3.1:3.3.1 Boek 2 BW
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/3.3.1
3.3.1 Boek 2 BW
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het platform fmVer bestond uit vertegenwoordigers van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het ministerie van Financiën, het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Federatie van Algemene Middelenmanagers bij de Overheid.
KPMG (2000).
Nota van Toelichting bij het Besluit Comptabiliteitsvoorschriften 1995 (Stb. 1994, 363), p. 50.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens de Nota van Toelichting bij het BBV waren de CV 95 te zeer geënt op Boek 2 BW. Omdat privaatrechtelijke rechtspersonen nu eenmaal verschillen van publiekrechtelijke, is het de vraag of alle regels met betrekking tot de ene categorie onverkort van toepassing kunnen zijn op de andere. Op ten minste vier in de Nota van Toelichting genoemde punten worden deze verschillen geconstateerd.
In tegenstelling tot bedrijven hebben gemeenten een openbare begroting. Bij overheden ligt het politieke en maatschappelijke zwaartepunt vanwege de allocatie- en autorisatiefunctie van de begroting eerder in het eerste gedeelte van de cyclus dan bij bedrijven, die (en dan alleen de grote bedrijven) op grond van art. 2:394 BW slechts verplicht zijn hun jaarrekening openbaar te maken door nederlegging in het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel.
Bedrijven streven primair naar inkomensverwerving, waardoor het vermogen kan worden vergroot en het voortbestaan van het bedrijf kan worden bewerkstelligd. De nadruk op het vermogen is daardoor bij bedrijven groter dan bij gemeenten, waar de nadruk juist meer ligt op de realisatie van maatschappelijke doelen en daarmee op de exploitatie. Met de Nota van Toelichting bij het BBV kan worden gezegd dat de exploitatie bij bedrijven ondergeschikt is aan het vermogen, terwijl voor gemeenten het vermogen eerder ondergeschikt is aan de exploitatie.
Activa van bedrijven zijn niet altijd vergelijkbaar met die van overheden. De Nota van Toelichting noemt investeringen als voorbeeld. In de private sector worden investeringen gedaan met het oog op een mogelijk economisch voordeel. Voor gemeenten gaat deze vlieger slechts gedeeltelijk op. Investeringen in gemeentelijke zwembaden of de aanschaf van onroerend goed kunnen op termijn nog wel inkomsten genereren. De aanleg van wegen, pleinen en vijvers zal echter louter maatschappelijk voordeel kunnen opleveren, omdat hiervoor geen prijzen of tarieven kunnen worden gerekend en deze niet kunnen worden verkocht.
Sommige middelen van gemeenten zijn (bijvoorbeeld door middel van specifieke uitkeringen van het Rijk) gebonden aan bepaalde bestedingsdoelen.
Al in 1998, met het oprichten van het platform fmVer,1 is begonnen met het beantwoorden van de vraag of bovengenoemde verschillen zouden moeten leiden tot een verandering in de comptabiliteitsvoorschriften. In opdracht van dit platform, dat onder meer werd ingesteld om de uitvoerbaarheid van de destijds vigerende comptabiliteitsvoorschriften onder de loep te nemen, verrichtte KPMG een onderzoek naar de punten waarop gemeenten van bedrijven verschillen en hoe dit in de comptabiliteitsvoorschriften zou kunnen worden verdisconteerd. De eindrapportage van KPMG uit 1999, getiteld "Eigenheid van gemeenten",2 vormt de aanzet tot een belangrijk deel van de veranderingen die het BBV heeft gebracht. Geconcludeerd werd dat de uit de Nota van toelichting bij de CV 95 gedestilleerde interpretatieve vuistregel "Boek 2 BW is leidend" zodanig letterlijk werd genomen, dat het in sommige gevallen onmogelijk werd recht te doen aan het in diezelfde Nota gehuldigde beginsel van eigenheid.3 Eén en ander werd mede veroorzaakt doordat dit laatste beginsel niet nader is gespecificeerd. In het BBV heeft deze specificatie wel plaatsgevonden. Hoewel het BBV het regime van Boek 2 BW op veel punten volgt, is recht gedaan aan de eigenheid van gemeenten door op sommige punten specifiek op gemeenten toegesneden regels te formuleren. Omdat deze regels vooral van technische en boekhoudkundige aard zijn, vallen ze buiten het bestek van dit primair juridische onderzoek.