Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/479
Herziening. Wederspannigheid met letsel tot gevolg, art. 181 lid 1 jo. art. 180 Sr. Aangevoerd wordt dat er om meerdere redenen sprake is van gegeven a.b.i. art. 457 lid 1 onder c Sv. 1. Aanvraag berust allereerst op stelling dat betekening van dagvaarding voor tz. van Pr in eerste aanleg niet rechtsgeldig is geweest. 2. Daarnaast wordt in aanvraag gesteld dat Pr aanvrager zou hebben vrijgesproken van tlgd. wederspannigheid, als Pr bekend zou zijn geweest met nadien gegeven vrijspraak en sepotbeslissing m.b.t. feiten waarvoor aanvrager destijds is aangehouden. 3. Ook wordt in aanvraag aangevoerd dat Pr de aanvrager zou hebben vrijgesproken van tlgd. wederspannigheid, als Pr bekend zou zijn geweest met de bij aanvraag gevoegde medische verslagen. Ad. 1. Ook als wordt uitgegaan van feitelijke juistheid van deze stelling, kan dit niet leiden tot een van de in art. 457 lid 1 onder c Sv genoemde beslissingen. Ad. 2. Aangevoerde wekt niet ernstig vermoeden a.b.i. art. 457 lid 1 onder c Sv. Rechter heeft immers in strafzaak van aanvrager moeten beoordelen of betreffende verbalisant t.t.v. tlgd. werkzaam was in rechtmatige uitoefening van bediening. Daarbij geldt als uitgangspunt dat politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht i.h.k.v. aanhouding van verdachte werkzaam is in rechtmatige uitoefening van zijn bediening a.b.i. art. 180 Sr (vgl. HR 7 oktober 2014, NJ 2014/529, m.nt. T.M. Schalken en HR 16 september 2025, NJ 2025/321, m.nt. W.H. Vellinga. Latere vrijspraak of sepotbeslissing m.b.t. feit waarvoor verdachte is aangehouden, staat niet in de weg aan veroordeling voor wederspannigheid, omdat deze beslissingen niet betekenen dat redelijk vermoeden van schuld aan strafbaar feit dat aanleiding vormde voor aanhouding niet heeft bestaan (vgl. HR 3 maart 1987, NJ 1987/851). Ad. 3. Rechter die de veroordeling heeft uitgesproken, was grotendeels al bekend met wat in aanvraag naar voren wordt gebracht over het bij aanhouding toegepaste geweld. Wat er voor het overige bij aanvraag en daarbij gevoegde medische verslagen naar voren is gebracht (dat bij aanvrager door middel van radiologisch onderzoek een gebroken rib is vastgesteld) is in het licht van wat in p-v van politie is vermeld over omstandigheden waaronder verbalisanten geweld tegen aanvrager hebben toegepast, van onvoldoende gewicht om te kunnen gelden als gegeven a.b.i. art. 457 lid 1 onder c Sv. Afwijzing aanvraag.
HR 17-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:436
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17 maart 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, R. Kuiper
- Zaaknummer
25/03565
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:436, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑03‑2026
Essentie
Herziening. Wederspannigheid met letsel tot gevolg, art. 181 lid 1 jo. art. 180 Sr. Aangevoerd wordt dat er om meerdere redenen sprake is van gegeven a.b.i. art. 457 lid 1 onder c Sv. 1. Aanvraag berust allereerst op stelling dat betekening van dagvaarding voor tz. van Pr in eerste aanleg niet rechtsgeldig is geweest. 2. Daarnaast wordt in aanvraag gesteld dat Pr aanvrager zou hebben vrijgesproken van tlgd. wederspannigheid, als Pr bekend zou zijn geweest met nadien gegeven vrijspraak en sepotbeslissing m.b.t. feiten waarvoor aanvrager destijds is aangehouden. 3. Ook wordt in aanvraag ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.