Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.2.2.0:5.2.2.0 Introductie
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.2.2.0
5.2.2.0 Introductie
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS614933:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 1 en 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met waardering voor hun inbreng, heeft de wetgever de door Struycken en Van Vellen c.s. verdedigde keuze voor het creëren van een nieuw zakelijk recht niet gevolgd. In de nota naar aanleiding van het nader verslag geeft de wetgever dit weer en motiveert vervolgens waarom niet gekozen is voor introductie van een nieuw zakelijk recht van netwerk. Deze motieven of argumenten zijn:1
1) Het voorgestelde recht van netwerk zou naar het oordeel van de wetgever een doorkruising zijn van zowel het publiekrechtelijke als het privaatrechtelijke rechtssysteem.
2) Het recht van netwerk zou afhankelijk worden gesteld van een vergunning om een communicatie- of transportnetwerk in eigendom te hebben, in, op of boven een onbebouwde onroerende zaak. Een dergelijk vergunningsysteem bestaat thans niet. De wel bestaande vergunningen, concessies en gedoogplichten ingevolge de verschillende sectorale wetten hebben betrekking op de aanleg en exploitatie van de netten ten behoeve van de desbetreffende voorzieningen, niet op de eigendom ervan. Ook in het BW bestaat een afhankelijkheid van de eigendom van een vergunning tot nu toe niet. Het past naar de mening van de wetgever ook niet goed in de privaatrechtelijke verhoudingen.
3) Bovendien wordt voorgesteld om het recht van netwerk afhankelijk te stellen van de eigendom van de onroerende zaak waarmee het netwerk is verbonden, via de verwijzingspercelen zoals die in de kadastrale netwerkregistratie worden gehanteerd. Die afhankelijkheid past in een theoretische benadering van horizontale natrekking (het verwijzingsperceel trekt het net na, de `paddenstoeltheorie' ), maar stemt niet overeen met de gedachte van de Hoge Raad dat het netwerk bestaat als een zelfstandige onroerende zaak en niet als een nagetrokken bestanddeel van een andere zaak.
De genoemde motieven lijken aan te tonen dat de wetgever een weloverwogen keuze heeft gemaakt tussen enerzijds een apart (nieuwe) eigendomsregeling en anderzijds een zakelijk recht van netwerk. Bij kritische lezing van deze argumenten kunnen echter diverse kanttekeningen worden geplaatst. Ten eerste zijn de motieven niet allemaal even duidelijk en is het gissen wat de precieze afweging of argumentatie van de wetgever is. Ten tweede is de vraag of de drie genoemde argumenten steekhoudend zijn om te (kunnen) concluderen dat niet een zakelijk recht van netwerk, maar de huidige eigendomsregeling de betere optie is voor het regelen van de eigendom van netten.