Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/8.4.6
8.4.6 Afsplitsing
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS619281:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
R.o. 3.7, Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 18 november 1999,JOR 1999/254 (Troll group/SEP).
Zie r.o. 4.10, HR 20 december 2013, NJ 2014/222 (Schreurs q.q./Favini): volgens de curator moest de splitsing vanwege dit mogelijke verschil met een beroep op art. 42 Fw moest worden vernietigd.
M. van Olffen, e.a. Splitsing van Ondernemingen, Deventer: Law & Practice Publishers 1998, p. 78; J.W.H. van Zadelhoff, ‘Splitsing, crediteurenbescherming en faillissement’, TvI 1998/7; J.W.H. van Zadelhoff, ‘Splitsing en crediteurenbescherming: de reikwijdte van art. 2:334t BW v. de verzetsregeling’, TvI 2000, § 6.1.
Tot slot vermeld ik nog dat voor de berekening van het aansprakelijkheidsplafond bij een afsplitsing in art. 2:334t lid 3 BW wordt uitgegaan van “de waarde van het vermogen”. Dit geldt ook bij afsplitsing van aandelen in dochtervennootschappen. Volgens de Ondernemingskamer gaat het daarbij om de “objectieve waarde”.1 Dit is relevant vanwege het mogelijke verschil tussen de in de akte van de splitsing opgenomen waarde en de “objectieve waarde”.2 In de literatuur is opgemerkt dat, vanuit het oogpunt van crediteurenbescherming, moet worden gekeken naar de “werkelijke (economische) waarde” van activa op het moment van splitsing.3