Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.8.3
4.8.3 Het zakelijke karakter van de iura tollendi
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644859:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Spath (2010), p. 181.
VC II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 82.
T.M., Algemene opmerkingen over boek 5, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 2: “In de continentale rechtsstelsels vormt het Zakenrecht - anders dan het contractenrecht: artikel 1374 lid 1 B.W. - een gesloten systeem. Dat ook het ontwerp hiervan uitgaat, blijkt uit artikel 3.4.1.2, bepalende dat men alleen de in de wet genoemde beperkte rechten kan vestigen, hetgeen dus ook voor de beperkte zakelijke rechten geldt. Een door partijen geschapen recht zal derhalve alleen een zakelijk recht zijn, indien het kan worden gebracht onder de definitie van een van de in de wet geregelde zakelijke rechten. Zie ook Struycken (2007), p. 1 e.v.
Over de actio ad exhibendum is een lange discussie gevoerd over de vraag of de actie een zakelijke was of niet, welke discussie in het ius commune is gestart bij Donellus die de actie als een zakelijke bestempelde. Donellus, Vol. 13, lib. 20, cap. 9, §2 (1830), p. 64: “Non dubium igitur ex definitione in rem actionis, quin et actio ad exhibendum sit in rem actio” “Uit de definitie van een zakelijke actie blijkt daarom zonder twijfel dat ook de actie tot productie een zakelijke actie is.” Zie voor een samenvatting over deze kwestie Birr (2013).
Brahn (1984), p. 11.
Zie hierboven: §4.8.3; VC II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 82.
De wegneemrechten zijn een “verfijning van het rechtssysteem”,1 doordat zij een oplossing bieden voor de onbillijke gevolgen van de natrekking, zonder dat zij deze zakenrechtelijke ordeningsregels opzij zetten.
“Dat ius tollendi heeft zakenrechtelijke werking, zonder de natrekkingsregel te doorbreken.”2
Uit het bovenstaande is op te maken dat de afscheiding op basis van een wegneemrecht niet leidt tot een herleving van het oude eigendomsrecht. Voorts volgt uit de aangehaalde tekst dat de iura tollendi zakelijke werking hebben. Dit laatste betekent niet dat zij per definitie zakelijke rechten zijn. Een kenmerk van het Nederlandse goederenrecht (en dus het zakenrecht) is, dat het een gesloten stelsel vormt.3 Dit wil zeggen dat in de wet de goederenrechtelijke rechten limitatief zijn opgesomd. Een door partijen geschapen recht heeft bijvoorbeeld alleen dan zakelijke werking, als dat volgt uit de wet. De iura tollendi zijn niet afzonderlijk in het BW terug te vinden in de rij van limitatief opgesomde zakelijke rechten. Een ius tollendi neemt dezelfde `kleur’ aan als het recht waarmee het verbonden is. Is dat bijvoorbeeld het erfpachtrecht, dan is het wegneemrecht een zakelijk recht. Het wegneemrecht van de huurder is daarentegen een `quasi-zakelijk’ recht dat tegen de opvolgers onder bijzondere titel van de verhuurder is in te stellen. Net als de actio ad exhibendum en de Wegnahmerechte is dit wegneemrecht een relatief recht dat zakenrechtelijke kenmerken heeft.4 Het bijzondere aan het (hybride) karakter van de wegneemrechten is, dat op de bestanddelen van een zaak rechten met een zakelijk karakter geldend gemaakt kunnen worden. Brahn zegt hierover:
“Zakelijke afscheidingsrechten terzake van iets dat geen enkele juridische zelfstandigheid (meer) heeft en dat dus geen zaak is in de zin van art. 555 BW en evenmin een goed in de zin van art 3.1.1.0 NBW passen niet in ons huidige en niet in ons komende recht.”5
Brahn lijkt hiermee te zeggen dat de afscheidingsrechten enkel in het recht passen, als deze geen zakelijk karakter hebben. Deze opmerking klopt wellicht voor het OBW, maar zoals hierboven reeds is vermeld bij de bespreking van art. 3:4 BW, is dit zakelijke karakter aan de afscheidingsrechten in het BW bewust toegekend om zo de (onbillijke) gevolgen van de natrekkingsregels te verzachten.6 Bovendien hebben de iura tollendi betrekking op de bestanddelen van een zaak, maar zij rusten op de gehele zaak. De wegneemgerechtigde heeft een recht op een zaak die aan een ander toebehoort om daarvan een bestanddeel af te scheiden. Het uitgangspunt is en blijft derhalve dat geen zakelijke rechten op bestanddelen geldend gemaakt kunnen worden.