Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/2.4.4.5
2.4.4.5 Amendering bij beursvennootschappen
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649595:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Dumoulin 2003, p. 61.
Zie Abma 2019b, die opmerkt dat ook bij beursvennootschappen de besluitvorming (nog steeds) tot stand komt als vrucht van onderling overleg, zij het niet tijdens de algemene vergadering zelf maar daarbuiten (p. 16).
Abma 2019b, p. 13. Waarbij ik opmerk dat (in theorie) de volmacht kan worden ingetrokken, of de volmachtgever zelf ter vergadering kan verschijnen.
Slagter 1997, p. 386. Althans, het onderling overleg vindt niet tijdens de vergadering plaats (Abma 2019b, p. 16).
Ik begrijp dit als “indien goeddeels stemmen via volmacht zijn uitgebracht”. Volgens mij heeft Dumoulin het hier niet over voorafgaand aan de vergadering uitgebrachte stemmen in de zin van art. 2:117b BW.
Dumoulin 2003, p. 63-65.
Dumoulin 2003, p. 64.
Dumoulin 2003, p. 64.
Dumoulin 2003, p. 64.
Zie in dit verband ook het voorbeeld van de algemene vergadering van PostNL in 2012, waarover Abma 2019b, p. 17-18.
Dumoulin 2003, p. 64; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 71.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen (PbEU 2007, L 184) zoals laatstelijk gewijzigd op 17 mei 2017 (PbEU 2017, L 132).
Vgl. Abma e.a. 2017, p. 183-184. Als voorbeeld van tijdige amendering noem ik hier de jaarlijkse algemene vergadering van Steinhoff International Holdings NV in 2018. De vergadering vond plaats op 20 april, de steminstructies moesten uiterlijk 13 april ontvangen zijn, en het bezoldigingsvoorstel voor enkele commissarissen werd op 5 april gewijzigd. Zie https://www.steinhoffinternational.com/downloads/2018/Changes%20to%202018%20AGM%20Notice%20further%20to%20press%20release%20dated%205%20April%202018.pdf.
Waarover Verdam 2013.
Vgl. punt 3.7.17 en 3.7.19 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, JOR 2010/228(ASMI) m.nt. Van Ginneken; OK 14 april 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1233, JOR 2011/179, m.nt. Hermans (ASMI); Timmermans 2018, p. 417; Hermans in zijn noot bij OK 5 augustus 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4688, JOR 2009/254(ASMI) en bij OK 14 april 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1233, JOR 2011/179 m.nt. Hermans (ASMI); Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 641. Anders: Blanco Fernández in zijn noot bij OK 17 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ6440, JOR 2007, 42(Centaurus c.s./Stork N.V.).
Waarbij niet o.g.v. een statutaire bepaling als bedoeld in art. 2:117b lid 1/227b BW reeds voorafgaand aan de vergadering stemmen zijn uitgebracht.
Gerechtshof Amsterdam 22 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3820, JOR 2020/27 m.nt. Kemp (Bouwvereniging Woonmeij); HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360 m.nt. Maeijer (Staleman/Van de Ven). In een andere richting lijkt te wijzen Rb. Amsterdam 15 mei 1996, ECLI:NL:RBAMS:1996:AG3026, JOR 1996/71 m.nt. Van den Ingh (Thomas Rap) r.o. 11.
Vgl. Abma e.a. 2017, p. 184 en de daar genoemde voorbeelden.
Vgl. HR 6 juni 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB7220, NJ 1969/317 m.nt. Scholten (Curaçaose Chinese Club).
Zie https://www.accell-group.com/files/8/8/3/1/Notulen%20AvA%20Accell%20Group%2023%20april%202015.pdf.
Bovendien konden het bestuur en de rvc het punt, ook als niet voorafgaand via volmacht gestemd zou zijn, bij de behandeling niet meer wijzigen. Enkel de algemene vergadering kan dat dan nog.
Zie bijvoorbeeld (buiten het kader van amendering) de toezeggingen die in de jaarlijkse algemene vergadering van ASMI in 2006 zijn gedaan ten behoeve van een positieve uitkomst van de stemming over de decharge van de rvc (p. 101 notulen, te raadplegen via http://docplayer.nl/11014919-1-algemene-vergadering-van-aandeelhouders-09-08-2006-asm-international-n-v-2.html). Overigens bestond over de exacte inhoud van deze toezegging in de opvolgende buitengewone algemene vergadering van 27 november 2006 veel discussie. Zie over toezeggingen in de algemene vergadering uitgebreid Dumoulin 2019.
Hetgeen ik in de voorgaande paragrafen schreef, geldt (tenzij anders aangegeven) enkel voor vennootschappen waarvan geen (certificaten van) aandelen genoteerd zijn. De algemene vergaderingen van deze vennootschappen tonen doorgaans (in meer of mindere mate) gelijkenis met de algemene vergadering van een vereniging. In lijn met de ‘Wijsmuller-leer’ vindt besluitvorming (in het gros van de gevallen) plaats als vrucht van onderling overleg tijdens de vergadering.1 Geheel anders is het bij beursvennootschappen.2 Bij dit type vennootschap vindt de stemming voor een belangrijk deel feitelijk voorafgaand aan de vergadering plaats doordat stemvolmachten met steminstructies worden afgegeven. In de statuten van de vennootschap met een notering aan een gereglementeerde markt kan de bevoegdheid van aandeelhouders of certificaathouders om door middel van een volmacht te stemmen, niet worden uitgesloten of beperkt (art. 2:117 lid 7 BW jo (voor de BV) art. 2:187 BW). Het mag worden aangenomen dat op grond van art. 2:8 BW hetzelfde geldt voor vennootschappen met een notering aan een ander systeem dan een gereglementeerde markt.
De gevolmachtigden stemmen weliswaar eerst ter vergadering, maar hoe zij stemmen staat voor die tijd feitelijk al vast.3 Een steminstructie is meestal gericht waardoor gevolmachtigden ter vergadering niet kunnen stemmen over amenderingsvoorstellen en geamendeerde voorstellen. Bij beursvennootschappen kan een besluit of een beslissing aldus veelal niet worden aangemerkt als een vrucht van onderling overleg.4 Als gevolg daarvan gelden naar mijn mening bij beursvennootschappen andere regels met betrekking tot de amendering van beslis- of besluitpunten.
In de literatuur heeft met name Dumoulin aandacht besteed aan amendering bij beursvennootschappen, waarbij hij zich beperkt tot amendering tijdens de algemene vergadering. Dumoulin werpt de vraag op wat de voorzitter moet doen indien stemming voorafgaand aan de vergadering goeddeels heeft plaatsgevonden5 en ter vergadering een amenderingsvoorstel wordt ingediend. Drie scenario’s zijn volgens Dumoulin denkbaar.6 In het eerste scenario brengt de voorzitter het amenderingsvoorstel in stemming. In veel gevallen is dit noch voor de gevolmachtigden, noch voor de achterliggende aandeelhouders aantrekkelijk. Als gezegd is de steminstructie meestal gericht waardoor er geen ruimte is om op een amenderingsvoorstel te stemmen. De gevolmachtigde zal niet weten wat te doen. Vóór of tegen het amenderingsvoorstel stemmen, kan leiden tot aansprakelijkheid jegens de volmachtgever. Onthouding van stemming kan ervoor zorgen dat het amenderingsvoorstel wordt aangenomen. Als dat gebeurt, ligt er een gewijzigd voorstel. De gevolmachtigde staat dan opnieuw voor het geschetste dilemma.
Als het amenderingsvoorstel in stemming wordt gebracht, kan nog worden overwogen de voorzitter te vragen de vergadering te schorsen zodat de gevolmachtigden de volmachtgevers kunnen raadplegen wat te doen. Dumoulin merkt hierover op dat praktisch gezien consultatie niet (binnen een redelijke termijn) mogelijk is.7
In het tweede door Dumoulin geschetste scenario wordt nadat het amenderingsvoorstel is ingediend de vergadering verdaagd. Een nieuwe vergadering wordt bijeengeroepen en het amendement wordt verwerkt in de agenda en de stemformulieren voor de nieuwe vergadering.8 Als bezwaren noemt Dumoulin dat het organiseren van een algemene vergadering tijdrovend en kostbaar is. Het is om die reden een disproportioneel middel. Ik sluit mij bij deze opvatting aan en voeg daar nog aan toe dat ‘verdaging’ van een algemene vergadering (dat wil zeggen: voortijdige sluiting van de vergadering onder de toezegging dat een nieuwe vergadering wordt bijeengeroepen) naar mijn mening niet mogelijk is zonder toestemming van de algemene vergadering, zie par. 2.2.1.1. Dat maakt dat deze optie behalve disproportioneel ook bijzonder complex is.
In het derde en laatste scenario wordt het amenderingsvoorstel niet in stemming gebracht. Een complicatie is dan dat degene die het voorstel deed, zou kunnen betogen dat het besluit over het oorspronkelijke voorstel vernietigbaar is. Hij zal daaraan ten grondslag moeten leggen dat het onredelijk en onbillijk is dat de voorzitter het amenderingsvoorstel niet in stemming heeft gebracht.
Het betoog dat het besluit vernietigbaar is omdat het recht van de vergadergerechtigde het woord te mogen voeren niet is nageleefd (art. 2:15 lid 1 sub a jo art. 2:117/227 BW), kan geen doel treffen. De vergadergerechtigde heeft het amenderingsvoorstel immers kunnen indienen. Het voorstel is enkel niet in stemming gebracht.
Dumoulin schrijft dat deze vordering geen kans van slagen heeft als de door gevolmachtigden uitgebrachte stemmen vóór het voorstel de doorslag geven. Er is dan geen redelijk belang bij vernietiging van het besluit. Het besluit was namelijk ook tot stand gekomen als het amenderingsvoorstel wel in stemming zou zijn gebracht. Alle stemmen vóór het oorspronkelijke voorstel zijn immers stemmen tegen het amenderingsvoorstel.9 De redenering is kennelijk dat om die reden het amenderingsvoorstel toch niet zou zijn aangenomen. Zoals ik reeds aangaf, is deze gedachtegang volgens mij niet geheel juist. Dat de door gevolmachtigden uitgebrachte stemmen vóór het voorstel de doorslag gaven, wil niet zeggen dat het amenderingsvoorstel niet zou zijn aangenomen. Ik licht dit nogmaals toe aan de hand van een voorbeeld.
Stel dat de vennootschap 100 aandelen met een nominale waarde van €1,- heeft uitgegeven en dat aan ieder aandeel één stem is verbonden. Op de agenda staat een voorstel voor een besluit. Dat besluit wordt conform art. 2:120 lid 1 BW genomen met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. De houder van 60 aandelen geeft in een steminstructie aan dat de gevolmachtigde vóór het voorstel moet stemmen. Ter vergadering stelt een vergadergerechtigde voor om het voorstel te amenderen. Volgens Dumoulin hoeft de voorzitter dit voorstel niet in stemming te brengen. Het zou ook niet worden aangenomen als het wel in stemming wordt gebracht omdat het amenderingsvoorstel, net als het oorspronkelijke voorstel, met een volstrekte meerderheid genomen moet worden en de 60 stemmen vóór het oorspronkelijke voorstel automatisch stemmen tegen het amenderingsvoorstel zijn. Mijns inziens staat dat niet vast. Wellicht vindt de volmachtgever het voorgestelde alternatieve besluit wel beter dan het oorspronkelijke en ziet hij daarom graag dat de gevolmachtigde het amenderingsvoorstel steunt.
Om complicaties te voorkomen meen ik dat voor beursvennootschappen als hoofdregel moet worden aangenomen dat amendering mogelijk is tot aan het moment waarop de steminstructies uiterlijk ontvangen moeten zijn. Op dat moment staat een gedeelte van de stemmen weliswaar nog niet juridisch, maar al wel zo goed als feitelijk vast.10 De in de literatuur geformuleerde regel dat ter vergadering slechts niet meer geamendeerd kan worden als een substantieel gedeelte van de stemmen via een gerichte volmacht wordt uitgebracht, biedt mijns inziens te weinig houvast.11 De ontwikkeling is dat bij beursgenoteerde vennootschappen stemmen op afstand zo veel mogelijk gefaciliteerd moet worden.12 Als dat het doel is, dan is het van belang dat als uitgangspunt wordt genomen dat (ook) elke op afstand uitgebrachte stem telt. Dat is feitelijk niet het geval als een voorstel nog geamendeerd wordt na de datum waarop de steminstructies uiterlijk moeten zijn ontvangen. De steminstructie biedt, als gezegd, veelal immers niet de ruimte om op het amenderingsvoorstel en het eventueel geamendeerde voorstel te stemmen. De via de volmacht uit te brengen stemmen gaan verloren als het amenderingsvoorstel wordt aangenomen. Ik acht het daarom in beginsel in strijd met art. 2:8 BW als een voorstel geamendeerd wordt na het moment waarop het bestuur de steminstructies uiterlijk ontvangen moet hebben.13 Wordt het voorstel nadien toch nog geamendeerd dan is het geamendeerde besluit (en het amenderingsbesluit) vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1 onder b BW. Voorts kan worden betoogd dat degenen die via volmacht stemden een beroep op dwaling toekomt.14
Overigens acht ik, in lijn met het voorgaande, een ter vergadering door het bestuur gegeven aanvullende toelichting op een agendapunt waardoor het voorstel feitelijk geamendeerd wordt, bij beursvennootschappen in beginsel niet toegestaan. Als voorbeeld noem ik het voorstel tot het verlenen van decharge. Het bestuur van een beursvennootschap mag de reikwijdte van dat voorstel ter vergadering niet uitbreiden via een in de notulen op te nemen aanvullende toelichting. Als dat wel gebeurt, omvat het dechargebesluit mijns inziens niet de aanvullende toelichting.15 Bij niet-beursvennootschappen16 kan het bestuur via een in de notulen opgenomen aanvullende toelichting een voorstel (voor een dechargebesluit) feitelijk wel amenderen.17 Dit laatste noemde ik reeds een lacune omdat, als het wettelijk stelsel wordt gevolgd, degene die een voorstel op de agenda zette, dat voorstel na de opening van de vergadering, behoudens een andersluidende statutaire bepaling, niet meer kan amenderen.
Ruimte voor nuancering is er mijns inziens slechts als het gaat om een beursvennootschap waarbij weliswaar via gerichte stemvolmachten gestemd wordt, maar ter vergadering de voor het besluit benodigde meerderheid ‘fysiek’ aanwezig is. In dat geval kan de voorzitter ervoor kiezen een amenderingsvoorstel in stemming te brengen.18 Degenen die via een stemvolmacht stemmen, hadden bij de stemming over het amenderingsvoorstel, ook als hun instructie die ruimte wel zou bieden, onmogelijk de doorslag kunnen geven.19
Gezien het voorgaande acht ik de gang van zaken op de jaarlijkse algemene vergadering van het beursgenoteerde Accell Group NV in 2015 onjuist.20 Agendapunt 8 betrof een wijziging van de statuten. Een onderdeel van de statutenwijziging was, kort gezegd, de ophoging van de kapitaaldrempel voor het gebruik van het agenderingsrecht van 1% naar 3%. Voor de wijziging was een volstrekte meerderheid nodig. Op 7.154.738 aandelen werd via een volmacht tegen de statutenwijziging gestemd. Op 3.124.679 aandelen werd via een volmacht vóór de statutenwijziging gestemd. Ter vergadering werden 16.131.972 stemmen vertegenwoordigd. Dat wil zeggen dat 5.852.555 stemmen ter vergadering nog bepaald moesten worden. Uit de notulen blijkt dat volgens het bestuur en de rvc het grote aantal schriftelijke tegenstemmers ‘waarschijnlijk’ te wijten is aan de voorgestelde verhoging van de kapitaaldrempel. Dat gedeelte van de statutenwijziging wordt daarom ter vergadering ingetrokken. Het aangepaste voorstel wordt in stemming gebracht en naar het oordeel van de voorzitter aangenomen. Deze amendering had naar mijn mening geen doorgang mogen vinden.21
Bij Grontmij NV (destijds beursgenoteerd) werd in 2012 op de jaarlijkse algemene vergadering het remuneratiebeleid voor het bestuur geamendeerd. Mijns inziens kon dit omdat uit de notulen blijkt dat de voor het besluit benodigde meerderheid van het kapitaal fysiek aanwezig was.22
Als amendering ter vergadering niet meer mogelijk is, maar de vennootschap wel wil dat een bepaald besluit nog in die vergadering genomen wordt, kunnen toezeggingen uitkomst bieden.23