RvdW 2026/461:Gewoontewitwassen van bitcoins (art. 420ter jo. art. 420bis lid 1 onder b Sr) en medeplegen uitvoeren en verkopen van harddrugs, meermalen gepleegd (art. 2 onder A en art. 2 onder B Opiumwet). 1. Bewijsklacht gewoontewitwassen t.a.v. ‘afkomstig uit enig misdrijf’. Kon witwasvermoeden ontstaan bij aantreffen van groot aantal bitcoins? 2. Onttrekking aan het verkeer van horloges en kleding, art. 36c Sr. Zijn voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer? Ad. 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 18 december 2018, NJ 2019/298, m.nt. N. Rozemond m.b.t. bewijs van bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ in witwasbepalingen. Verdediging heeft ttz. in hoger beroep gesteld dat in bewezenverklaring bedoelde bitcoins een legale herkomst hebben. Daartoe heeft verdachte aangevoerd dat hij in periode 2012 tot 2013, door tussenkomst van A, 1.982 bitcoins van B heeft verkregen tegen betaling van € 12.000, en dat hij die uitgave kon doen uit geld dat hij had verdiend uit handel in auto’s. Ook heeft verdediging gesteld dat bitcoins in periode van 2012 tot eind 2017 ‘exponentiële waardevermeerdering’ hebben doorgemaakt en dat daaruit kan worden verklaard dat hij in 2017 voor € 613.260,92 aan bitcoins bezat. Ter ondersteuning van deze stellingen heeft verdediging gewezen op borgstellingsverklaring en getuigenverklaringen die o.m. zijn afgelegd door A, C en D. Hof heeft geoordeeld dat verdachte met die verklaring niet concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor legale herkomst van de in bewezenverklaring bedoelde bitcoins. Hof heeft daartoe o.m. overwogen dat verdachte niet inzichtelijk heeft gemaakt wat relatie is tussen de door hem verkregen bitcoins en bitcoins die zijn gestort op zijn account bij E. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk in licht van wat verdachte, onder verwijzing naar getuigenverklaringen, heeft verklaard over aanschaf van bitcoins in 2012 dan wel 2013 en waardestijging die deze bitcoins daarna hebben doorgemaakt. Dat wordt niet anders door ’s hofs vaststelling dat verdachte niet meer informatie heeft verschaft of USB-stick heeft verstrekt, nu die omstandigheden niet in de weg staan aan de door verdachte gegeven verklaring en mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen. Ad. 2. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Art. 36c Sr stelt als voorwaarde voor onttrekking aan het verkeer dat desbetreffende voorwerpen van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet of met algemeen belang. Daaruit volgt dat het moet gaan om voorwerp waarvan aard relevant is in die zin dat ongecontroleerd bezit, al dan niet in samenhang met redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, juist i.v.m. die aard in strijd is met wet of algemeen belang. Zonder nadere motivering, is ‘s hofs oordeel dat aan verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen (horloges en kleding) van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet of algemeen belang, niet begrijpelijk. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2026/460.