Bijzonder ontslagprocesrecht
Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/4.1:4.1 Inleiding en plan van aanpak
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/4.1
4.1 Inleiding en plan van aanpak
Documentgegevens:
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS359412:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De gemiddelde doorlooptijd van de ontbindingsprocedure op tegenspraak was in 2011 en 2012 respectievelijk 8 en 7 weken. Zie Jaarverslag Rechtspraak 2012, p. 80.
In 2010 en 2011 zijn respectievelijk 83% en 78% van de ingediende ontslagaanvragen bij het UWV binnen een doorlooptijd van 6 weken afgehandeld. Zie Jaarverslag UWV 2011, p. 21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande twee hoofdstukken zagen we dat de preventieve UWV-procedure krachtens art. 6 BBA en de ontbindingsprocedure krachtens art. 7:685 BW afwijkingen vertonen ten opzichte van het normale bestuursrechtelijke- en civielrechtelijke procesrecht. Beide preventieve procedures kenmerken zich door een verdund ontslagprocesrecht teneinde de snelheid van deze procedures te bevorderen. Na het volgen van de relatief snelle ontbindingsprocedure1 weten partijen definitief of de arbeidsovereenkomst ontbonden kan worden, alsmede welke vergoeding daarvoor eventueel betaald moet worden. Na het volgen van de relatief korte UWV-procedure2 weten partijen definitief of er opgezegd kan worden zonder een mogelijk beroep op de vernietigingsgrond van art. 9 BBA. Dat laatste neemt niet weg, dat er na de opzegging nog een repressieve ontslagprocedure kan volgen. In tegenstelling tot de preventieve procedures kenmerken deze repressieve procedures zich niet door een verdunning van de toepasselijke procedureregels. Dit contrast staat in dit hoofdstuk centraal. Gezocht wordt naar een antwoord op de vraag waarom het verdund ontslagprocesrecht alleen voorkomt in de preventieve procedures. Bestaat er in de repressieve ontslagprocedures geen behoefte aan uitzonderingen op het normale procesrecht? Dat blijkt wel het geval. Onderzocht wordt op welke wijze de praktijk dit gemis opvult. Een belangrijke oplossing, zo zal blijken, is het voeren van een van de preventieve procedures ‘voor zover vereist’. Het verdund procesrecht uit die procedures wordt op die wijze ingebracht in de repressieve procedures. Daarmee komt het belang van het verdund procesrecht pas volledig tot zijn recht. Het zorgt ervoor dat snel zekerheid kan worden verkregen omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst, niet alleen in het kader van de preventieve procedures, maar ook in het kader van de repressieve ontslagprocedures. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de vraag hoe dit belang zich verhoudt tot de aan het arbeidsrecht ten grondslag liggende beginselen, zoals met name het beginsel van ongelijkheidscompensatie.
Paragraaf 4.2 gaat allereerst kort in op de mogelijke repressieve ontslagprocedures. Daarbij bestaat enige overlapping met paragraaf 2.2, waarin kort de opzeggingsroute is beschreven. In paragraaf 4.3 wordt naar mogelijke verklaringen gezocht voor het ontbreken van een vorm van verdund procesrecht in de repressieve ontslagprocedures. Paragraaf 4.4 richt zich vervolgens op de vraag of het ontbreken daarvan in de praktijk als een probleem wordt ervaren en zo ja, welke oplossingen men daarop heeft gevonden. Vervolgens wordt in paragraaf 4.5 gekeken hoe het verdund procesrecht, dat zoals zal blijken ook in de repressieve procedures een rol speelt dankzij het voeren van een van de preventieve procedures ‘voor zover vereist’, zich verhoudt tot de aan het arbeidsrecht ten grondslag liggende beginselen. Paragraaf 4.6 bevat een conclusie.