Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.4.3
5.2.4.3 Overige algemene aspecten
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
ECRM 6 januari 1993, appl.no. 20341/92 (H.K./Nederland): ‘where a confrontation with the witnesses proves impossible, it cannot as a rule be considered a violation of Article 6 to invoke the statements made by the witnesses as evidence’. ECRM 18 mei 1995, appl.no. 24384/94 (Van Reeswijk/Nederland): ‘The failure to call him as a witness cannot, therefore, be considered as unfair but merely reflects a factual impossibility.’
Zie bijvoorbeeld EHRM 19 februari 2013, appl.no. 61800/08 (Gani/Spanje), § 39, EHRM 13 januari 2009, appl.no. 35556/05 (Makuszewski/Polen), § 40 en EHRM 17 november 2005, appl.no. 73047/01 (dec.) (Haas/Duitsland), p. 14.
EHRM 8 juni 2006, appl.no. 60018/00 (Bonev/Bulgarije), § 44. Zie bijvoorbeeld ook EHRM 25 april 2013, appl.no. 27100/03 (Ivanov/Rusland), § 47 en EHRM 24 april 2012, appl.no. 1413/05 (Sibgattulin/Rusland), § 55. In al deze zaken riskeerde de verdachte meer dan tien jaar gevangenisstraf en noemde het EHRM de strafbedreiging expliciet als factor bij de beoordeling van de inspanningen van de overheid. Hierbij zij aangetekend dat het in al deze zaken ook belangrijke getuigen betrof.
Ter illustratie noem ik Hof Arnhem 4 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX9270. De verdachte riskeerde wegens verschillende gevallen van ontucht twaalf jaar gevangenisstraf (art. jo. 57 jo. 247 jo. 248 lid 2 Sr). Hij kreeg een gevangenisstraf van vijftien maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur opgelegd.
EHRM (GC) 10 maart 2009, appl.no. 4378/02 (Bykov/Rusland), § 90. Toegepast in een zaak met betrekking tot het ondervragingsrecht: EHRM 28 september 2010, appl.no. 40156/07 (A.S./Finland), § 52.
EHRM 14 januari 2010, appl.no. 23610/03 (Melnikov/Rusland), § 75. Zie ook EHRM 13 maart 2012, appl.no. 5605/04 (Karpenko/Rusland), § 66. In zijn partly dissenting opinion bij EHRM 9 januari 2007, appl.no. 47986/99 (Gossa/Polen) merkte rechter Casadevall op dat – hoewel medeverdachten getuigen zijn in de autonome betekenis van het woord – het niet onbelangrijk was om een verschil te maken tussen medeverdachten en andere soorten getuigen. In dit geval meende hij dat de autoriteiten zich actiever hadden moeten opstellen om een ondervragingsgelegenheid te bieden ten aanzien van de medeverdachte. In heel wat landen worden aan het gebruik van medeverdachten voor het bewijs strengere eisen gesteld dan aan het gebruik van verklaringen van ‘gewone’ getuigen. Zie bijvoorbeeld artikel 76A van de Police and Criminal Evidence Act 1984 en Dwyer 2005 over het Britse recht, Dehne-Niemannn 2010 over het Duitse recht en EHRM 17 september 2013, appl.no. 23789/09 (Brzuszczyński/Polen), § 53 over het Poolse recht. In Nederland worden geen bijzondere eisen gesteld aan het gebruik van verklaringen van medeverdachten voor het bewijs. Duker & Diesfeldt 2013 hebben daarvoor wel gepleit.
EHRM 12 juli 2007, appl.no. 503/05 (Kovač/Kroatië). In EHRM 13 juli 2006, appl.no. 26853/04 (Popov/Rusland), § 36, 182 en 188 was de bewezenverklaring in beslissende mate gebaseerd op de tegenstrijdige verklaringen van vier jongens met geheugenproblemen, die anderhalf jaar na de ten laste gelegde moord verklaringen hadden afgelegd. Onder die omstandigheden was er alle aanleiding voor het oproepen van andere, door de verdediging verzochte, getuigen die het alibi van de verdachte hadden kunnen bevestigen. Omdat die ontlastende getuigen niet waren opgeroepen, nam het EHRM in deze zaak een schending van het ondervragingsrecht aan. Hoewel deze zaak de oproeping van ontlastende getuigen betrof, mag worden aangenomen dat ook de oproeping van de jongens zelf onder deze omstandigheden heel belangrijk had kunnen zijn.
EHRM 16 oktober 2014, appl.no. 20077/04 (Suldin/Rusland), § 57.
EHRM 21 juli 2009, appl.no. 12769/02 (Osmanağaoğlu/Turkije), § 50. In EHRM 18 december 2014, appl.no. 27304/07 (Efendyev/Azerbeidzjan), § 43 en 46 was de verdachte veroordeeld wegens het begraven van wapens in een tuin. Hoe dat precies zou zijn verlopen, bleek niet uit de bewijsmiddelen. De wapens waren aangetroffen tijdens een doorzoeking waarbij de verdachte niet aanwezig was geweest. De niet door de verdediging ondervraagde getuige was een tipgever die had verteld dat in de tuin wapens zouden zijn begraven. Bij deze stand van zaken achtte het EHRM het van extra groot belang dat de verdachte de getuige kon ondervragen. Dat diens verklaringen niet van beslissende betekenis waren, maakte dat niet anders.
EHRM 10 april 2012, appl.no. 8088/05 (Gabrielyan/Armenië), § 86. Zie ook EHRM 19 juli 2012, appl.no. 26171/07 (Hümmer/Duitsland), § 52, waarin het EHRM een groter belang bij ondervraging zag omdat de verdachte zelf geen herinneringen had aan de ten laste gelegde gebeurtenissen, waardoor hij de getuigenverklaringen minder goed kon betwisten.
Vgl. Hof Arnhem 4 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX9270.
Zie nader over de vergoeding van reiskosten van de getuige § 2.5.5.3 en 2.5.6.2.
In EHRM 3 maart 2011, appl.no. 31240/03 (Zhukovskiy/Oekraïne), § 19 was een beperkt budget de reden om getuigen in het buitenland te laten ondervragen door de buitenlandse autoriteiten. Ook kan hier worden gedacht aan het uitvoeren van een verhoor via een videoverbinding.
EHRM 24 april 2012, appl.no. 1413/05 (Sibgatullin/Rusland), § 56; EHRM 27 januari 2011, appl.no. 42224/02 (Krivoshapkin/Rusland), § 60.
ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 29309/95 (Trier/Noorwegen): ‘her statements (...) were of little relevance having regard to the other evidence produced and that, therefore, it would amount to a disproportionate inconvenience and expense to hear her personally instead of reading out her statements made to the police’.
Zie over het belang van een spoedige behandeling van de zaak Den Hartog 2001, p. 278 en 310 en Trechsel 2006, p. 134-149.
EHRM 25 november 2003, appl.no. 48668/99 (dec.) (Nikka/Zweden), p. 8: ‘The oral hearing, initially scheduled for 28 November 1996, was postponed and cancelled a number of times, until it was held in E’s absence nearly two years later, on 14 October 1998, after the national authorities had done all they could reasonably be expected to do to secure her appearance (...). In this connection it should be borne in mind that the competent court was responsible under Article 6 § 1 for taking measures to ensure that the proceedings be concluded within a reasonable time’. Zie ook EHRM 17 april 2014, appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 71, EHRM 27 juni 2006, appl.no. 21837/ 02 (Kuvikas/Litouwen), § 31 en ECRM 11 december 1981, NJ 1982, 142 (X/Nederland). Vgl. ook Aall 2011b, p. 226-228.
EHRM (GC) 25 maart 1999, appl.no. 25444/94 (Pélissier & Sassi/Frankrijk), § 67 en 72; EHRM (GC) 17 december 2004, appl.no. 49017/99 (Pedersen & Baadsgaard/Denemarken), § 49.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het belang om een dader snel te bestraffen en het belang van een slachtoffer om binnen een redelijke termijn schadevergoeding te krijgen.
EHRM 24 juli 2008, appl.no. 41461/02 (Romanov/Rusland), § 104: ‘While the Court is not unmindful of the domestic courts’ obligation to secure the proper conduct of the trial and avoid undue delays in the criminal proceedings, it does not consider that a five-day stay in the proceedings for the purpose of obtaining Mr I.’s testimony at the trial, in which the applicant stood accused of a very serious offence and was risking a long term of imprisonment, would have constituted an insuperable hindrance to the expediency of the proceedings at hand’. EHRM 27 januari 2011, appl.no. 42224/02 (Krivoshapkin/Rusland), § 62: ‘The Court is further unable to accept the Government’s argument that time-consuming efforts aimed at ensuring the attendance of the missing witnesses could, or should, be abandoned for the sake of a speedy determination of criminal charges. It is for the State to organise its judicial system in such a way as to enable its courts to comply with the requirements of the Convention, including those enshrined in the procedural obligation of Article 6.’
EHRM 13 maart 2012, appl.no. 5605/04 (Karpenko/Rusland), § 74.
EHRM 5 april 2005, appl.no. 39209/02 (dec.) (Scheper/Nederland); ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 29309/95 (Trier/Noorwegen).
EHRM 16 oktober 2012, appl.no. 44324/11 (dec.) (Lawless/Verenigd Koninkrijk), § 26.
EHRM 19 februari 2013, appl.no. 61800/08 (Gani/Spanje), § 44.
Zie over de wijze waarop deze omstandigheid wél een rol kan spelen bij de beoordeling van een klacht dat het ondervragingsrecht is geschonden § 2.3.6 van hoofdstuk 3.
Absolute onmogelijkheid of alternatieven?
Er kunnen zich veel verschillende redenen voordoen waarom een getuigenverhoor niet is gerealiseerd. Wanneer de overheid nalatig is geweest, betekent dit dat een alternatief bestond, waarvan de autoriteiten gebruik hadden moeten maken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan inspanningen die de overheid had kunnen verrichten om een getuige in het buitenland op te sporen. In bepaalde gevallen is echter sprake van een feitelijke onmogelijkheid om een getuigenverhoor te organiseren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer een getuige is overleden of wanneer deze, ondanks uitgebreide inspanningen, niet is getraceerd. In een dergelijk geval was beperking van het ondervragingsrecht noodzakelijk, omdat geen alternatief bestond om toch een getuigenverhoor te verwezenlijken.1 Het ehrm noemt in dat kader zo nu en dan het Latijnse adagium impossibilium nulla est obligatio: niemand is verplicht om het onmogelijke te doen.2
Strafbedreiging
Uit de jurisprudentie van het ehrm van vóór het arrest Al-Khawaja & Tahery blijkt dat de omvang van de inspanningsverplichting van de overheid mede afhankelijk is van de strafbedreiging. Hoe hoger de maximale straf die aan de verdachte opgelegd had kunnen worden, hoe meer inspanningen moeten worden gedaan om een getuigenverhoor te bewerkstelligen. In het arrest Bonev overwoog het ehrm: ‘While the Court is not unmindful of the difficulties encountered by the authorities in terms of resources, it does not consider that Mr Z.T.’s tracking down for the purpose of calling him at the trial, in which the applicant stood accused of a very serious offence and was risking up to fifteen years’ imprisonment (...), would have constituted an insuperable obstacle’.3 De keerzijde hiervan lijkt te zijn dat bij zaken met een lagere strafbedreiging een getuigenverzoek soms zal mogen worden afgewezen, hoewel niet is komen vast te staan dat een succesvolle oproeping van de getuige absoluut onmogelijk zou zijn geweest.
Uit de overwegingen van het ehrm kan niet worden afgeleid welke straf het in aanmerking neemt. Gaat het alleen het wettelijke strafmaximum, worden de bijzondere omstandigheden van de zaak die de strafmaat in het algemeen mede bepalen meegewogen of speelt alleen de daadwerkelijk opgelegde straf een rol? Denkbaar is bijvoorbeeld dat het ehrm de strafbedreiging minder belangrijk zou achten wanneer de daadwerkelijk opgelegde straf relatief laag was.4 In de zaken waarin het ehrm de strafbedreiging in de motivering betrok, waren overigens hoge gevangenisstraffen opgelegd.
Betrouwbaarheid van de getuigenverklaring
In het arrest Bykov overwoog het ehrm: ‘where the existing evidence is very strong and there is no risk of its being unreliable, the need for supporting evidence is correspondingly weaker’.5 Een soortgelijke redenering moet worden gevolgd bij de beoordeling van de omvang van de inspanningsverplichting van de justitiële autoriteiten: naarmate meer indicaties bestaan dat een getuige (potentieel) ongeloofwaardig is of zijn verklaring onbetrouwbaar, moeten meer inspanningen worden gedaan om een ondervragingsgelegenheid te bieden aan de verdediging. In het arrest Melnikov merkte het ehrm op dat verklaringen van medeverdachten een aanzienlijk risico met zich brengen dat deze onbetrouwbaar zijn, omdat zij er belang bij kunnen hebben om de schuld op een ander af te schuiven en omdat zij kunnen liegen zonder zich aan meineed schuldig te maken. Daarom was het van extra groot belang voor de verdachte om de medeverdachte te kunnen ondervragen.6 In de zaak Kovač was de getuige een verstandelijk gehandicapte vrouw, die zich nauwelijks verbaal kon uitdrukken, een slecht geheugen had en niet kon lezen of schrijven. Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris bevatte echter uitgebreide zinnen, in een formeel taalgebruik. Bij die stand van zaken had de verdachte een groot belang om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te onderzoeken.7 Dat geldt ook ingeval verschillende verklaringen van dezelfde getuige inconsistent zijn.8 In het arrest Osmanağaoğlu overwoog het ehrm dat een ondervragingsgelegenheid van cruciaal belang was geweest, mede omdat de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen ernstig in twijfel kon worden getrokken, aangezien aanwijzingen bestonden dat de getuigen waren gemarteld.9 In de zaak Gabrielyan ten slotte was de onmogelijkheid om de geloofwaardigheid van de getuigen te onderzoeken in het bijzonder verontrustend omdat de getuigen de verdachte niet kenden en niet waren gevraagd om hem te identificeren, waardoor de kans bestond dat niet de verdachte, maar een ander het strafbare feit had begaan.10
Ook de wijze waarop het verhoor is uitgevoerd zou mijns inziens van invloed moeten zijn op de inspanningsverplichting. Heeft een getuige belastende verklaringen afgelegd, dan maakt het nogal verschil voor de betrouwbaarheid daarvan of een professionele verhoorder de verklaring heeft opgenomen of een leek en of – in het geval van een buitenlandse getuige – bij het verhoor een tolk aanwezig was of niet.11
Beschikbare middelen
Uit de hiervoor geciteerde overweging in het arrest Bonev lijkt te mogen worden afgeleid dat bij de afwijzing van een getuigenverzoek de kosten van het realiseren van een ondervragingsgelegenheid een rol mogen spelen. Het uitvoeren van een getuigenverhoor door een onderzoeksrechter in een buitenland brengt bijvoorbeeld vrij veel kosten met zich. Beperkingen in het justitiële budget kunnen een argument opleveren om zo’n onderzoek niet uit te voeren of bijvoorbeeld een getuige geen reiskostenvergoeding toe te kennen.12 In dat geval zal overigens wel moeten worden geprobeerd om op een alternatieve wijze een ondervragingsgelegenheid te bieden.13 De keerzijde hiervan is dat bepaalde kosten zullen moeten worden gemaakt wanneer het budget daarvoor beschikbaar is. In het bijzonder zal dit het geval zijn wanneer de getuige van beslissende betekenis is en op het ten laste gelegde feit een hoge gevangenisstraf is gesteld.14 Bij minder belangrijke getuigen en minder hoge strafbedreigingen kunnen hoge kosten disproportioneel zijn.15
Behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn
De verdachte heeft het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn (art. 6 lid 1 EVRM). Onnodige vertraging moet worden voorkomen.16 Vertraging van het proces is weliswaar acceptabel wanneer de verdedigingsrechten daardoor beter kunnen worden uitgeoefend, maar er is een grens waarbij de vertraging onacceptabel wordt en de rechter een uitspraak moet doen. Wanneer een strafproces door pogingen om een ondervragingsgelegenheid te realiseren lang gaat duren, kan volgens het ehrm het recht op de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn rechtvaardigen dat de zaak wordt afgedaan zonder ondervraging van de desbetreffende getuige.17
Het is niet duidelijk hoe deze opvatting zich verhoudt tot de wijze van toetsing of het recht op behandeling binnen een redelijke termijn is geëerbiedigd. Daarbij kunnen verschillende factoren een rol spelen, waaronder de mate waarin de lengte van de procedure kan worden toegeschreven aan de verdediging.18 Wanneer de verdediging volhardend heeft verzocht om de oproeping van een bepaalde getuige, kan worden gesteld dat zij zelf heeft bijgedragen aan de vertraging van de procedure. Op grond daarvan valt niet goed in te zien waarom het recht op berechting binnen een redelijke termijn invloed zou kunnen hebben op de beslissing met betrekking tot de oproeping van de getuige. Uiteraard kan een spoedige afdoening van een strafzaak ook andere belangen dienen dan het belang van de verdediging.19 Het ehrm heeft in zijn overwegingen echter duidelijk gedoeld op het recht van de verdediging om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
Wanneer een belangrijke getuige binnen een aantal dagen de zitting had kunnen bijwonen, kan niet worden gezegd dat uitstel van de zitting een onacceptabele vertraging zou hebben opgeleverd. De zitting had in dat geval dus moeten worden uitgesteld.20 Uitstel kan ook gerechtvaardigd zijn om te achterhalen of een getuige daadwerkelijk niet in staat is ter zitting te verschijnen.21
Opstelling van de verdediging
De opstelling van de verdediging kan van belang zijn voor de beoordeling door het ehrm of de afwezigheid van de getuige gerechtvaardigd was. Wanneer ook de verdediging van oordeel is dat het nutteloos is om de zitting aan te houden, bijvoorbeeld omdat de getuige onvindbaar is22 of ziek,23 zal het oordeel van het ehrm daardoor ten gunste van de autoriteiten worden beïnvloed. Ook wanneer de verdediging niet is verschenen bij een geboden ondervragingsgelegenheid, kan de onmogelijkheid de getuige te ondervragen niet worden tegengeworpen aan de nationale autoriteiten.24 Deze omstandigheid heeft het ehrm tot nu toe echter niet betrokken bij de beoordeling of een goede reden heeft bestaan.25