Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.4.2
5.2.4.2 Gewicht van de getuigenverklaring
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 120.
ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 29309/95 (Trier/Noorwegen).
EHRM 30 maart 2010, appl.no. 32456/04 (dec.) (Kopecký/Tsjechië), p. 5. Zie ook EHRM 17 februari 2011, appl.no. 33780/04 (Kononenko/Rusland), § 68: ‘in view of the importance to the proceedings of witness Sh.’s testimony, the authorities should have made a particular effort to obtain his attendance’.
EHRM 8 januari 2009, appl.no. 14899/04 (dec.) (Babkin/Rusland), p. 9; EHRM 5 februari 2007, appl.no. 64140/00 (dec.) (Rozhkov/Rusland), p. 33. Vgl. ook EHRM 2 september 2008, appl.no. 6497/04 (dec.) (Kiratli/Turkije), p. 9.
De beeldspraak van de communicerende vaten is door Knigge gebruikt in onderdeel 4 van zijn noot bij HR 29 september 1998, NJ 1999, 74.
EHRM 15 september 2009, appl.no. 65014/01 (Pacula/Letland), § 55-56; EHRM 24 april 2008, appl.no. 17988/02 (Zhoglo/Oekraïne), § 41.
Zie uitvoeriger § 2.5.4.
EHRM 4 mei 2000, appl.no. 46253/99 (dec.) (Ubach Mortes/Andorra); ECRM 14 januari 1998, appl.no. 31074/96 (Wester/Zweden).
EHRM 27 juni 2006, appl.no. 21837/02 (Kuvikas/Litouwen), § 27-31 en 54.
EHRM 8 december 2009, appl.no. 44023/02 (Caka/Albanië), § 28 en 115.
Zie bijvoorbeeld EHRM 3 april 2012, appl.no. 18475/05 (Chmura/Polen), EHRM 28 februari 2013, appl.no. 22163/08 (Mesesnel/Slovenië) en EHRM 26 februari 2013, appl.no. 50254/07 (Papadakis/Macedonië).
EHRM 10 april 2012, appl.no. 8088/05 (Gabrielyan/Armenië); EHRM 4 juni 2013, appl.no. 14932/09 (Kostecki/Polen), § 63. Wanneer is vastgesteld dat geen goede reden heeft bestaan, zijn overwegingen met betrekking tot de beslissendheid van de getuigenverklaring overigens niet meer relevant, aangezien de beslissing van het EHRM dan al vaststaat (zie expliciet EHRM 13 maart 2012, appl.no. 5605/04, Karpenko/Rusland, § 76). Desalniettemin overweegt het EHRM in zo’n geval regelmatig dat de getuigenverklaring van beslissende betekenis is geweest, vermoedelijk om te benadrukken dat om verschillende redenen het ondervragingsrecht niet voldoende is gerespecteerd.
Vgl. Trechsel 2006, p. 313 (noot 107).
EHRM 3 april 2012, appl.no. 25198/06 (dec.) (Craciun/Roemenië), § 47. In EHRM 2 april 2013, appl.no. 4380/09 (dec.) (Garofolo/Zwitserland), § 54 werd dit argument uitdrukkelijk in de sleutel van de goede redenen gebruikt.
EHRM 23 oktober 2012, appl.no. 38623/03 (Pichugin/Rusland), § 209.
EHRM 3 mei 2012, appl.no. 23880/05 (Salikhov/Rusland), § 114-119. Ook in de conclusie leek de beoordeling van de goede reden samen te hangen met de beslissendheid van de getuigenverklaring: ‘Having regard to the fact that the applicant was not afforded any opportunity to question Ms K., whose testimony was of decisive importance for establishing his guilt (...) and that the authorities failed to make a reasonable effort to secure her presence in court or compensate for the difficulties experienced by the defence on account of the admission of her evidence, the Court finds that there has been a violation of Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention’. Vgl. EHRM 24 april 2012, appl.no. 1413/05 (Sibgatullin/Rusland), § 58. De formulering door het EHRM in de zaak Salikhov suggereert overigens dat compenserende maatregelen een schending hadden kunnen voorkomen, terwijl dat volgens Al-Khawaja & Tahery nu juist niet mogelijk is wanneer geen goede reden heeft bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Een ander voorbeeld van een zaak waarin de beslissendheid van de getuigenverklaring in verband lijkt te zijn gebracht met de vraag of het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid gerechtvaardigd was, is EHRM 24 januari 2012, appl.no. 24893/05 (Nechto/ Rusland). In deze zaak was de klager veroordeeld wegens drie strafbare feiten en met betrekking tot ieder van deze feiten klaagde hij over schending van het ondervragingsrecht. Ten aanzien van alle drie de feiten stelde het EHRM vast dat de verklaringen van de niet door de klager ondervraagde getuigen van beslissende betekenis waren. Pas daarna overwoog het EHRM dat ook geen goede reden had bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De conclusie was dat het ondervragingsrecht was geschonden ‘due to the fact that his conviction was to a decisive event based on evidence he could not challenge’. Zie ook EHRM 10 april 2012, appl.no. 8088/05 (Gabrielyan/Armenië), § 86: ‘The foregoing considerations are sufficient to enable the Court to conclude that the applicant was unreasonably restricted in his right to examine witnesses whose testimony played a decisive role in securing his conviction.’
EHRM 27 maart 2014, appl.no. 58428/10 (Matytsina/Rusland), § 164-165.
EHRM 3 juli 2012, appl.nos. 22555/09 & 42204/09 (dec.) (Stănculescu & Chiţac/Roemenië).
Het EHRM merkte in deze zaak ook op dat de verdediging niet had verzocht om de oproeping van de getuige. De redenering van het EHRM kan daarom ook zijn geweest dat het ontbreken van een getuigenverzoek een goede reden was voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid. Dat is ten opzichte van de andere EHRM-uitspraken echter een nogal atypische redenering. Mijns inziens had de klacht vanwege niet-uitputting van de nationale rechtsmiddelen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
EHRM 25 juni 2013, appl.no. 25333/03 (Niculescu/Roemenië), § 128-129. Opmerkelijk is de gehanteerde terminologie. ‘Belangrijk’ lijkt hier gelijkgesteld te zijn aan ‘beslissend’. Zie daarover uitgebreider § 2.8.5 van hoofdstuk 6.
Ook bij de vraag in welke mate de autoriteiten zich moeten inspannen om een zich in het buitenland bevindende getuige te traceren, lijkt het gewicht van de getuigenverklaring van groot belang te zijn. Zie daarover § 2.5.5.
Er kunnen nog meer gradaties worden onderscheiden. Zie daarover § 2.8 van hoofdstuk 6.
EHRM 25 juli 2013, appl.nos. 11082/06& 13772/05 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland), § 712. Zie daarover § 2.5.2.
EHRM 26 februari 2013, appl.no. 50254/07 (Papadakis/Macedonië), § 92.
Het gaat hier om getuigen waarvan de ondervraging wel relevant zal kunnen zijn voor het nemen van een beslissing door de rechter, terwijl de veroordeling niet in belangrijke mate is gebaseerd op hun verklaringen. Irrelevante getuigen hoeven immers niet te worden opgeroepen.
Maffei 2006, p. 95 was daarentegen van mening dat rechters ten onrechte worden ontslagen van de verplichting getuigen op te roepen wanneer voldoende steunbewijs bestaat. Maffei 2012, p. 108 is dan ook blij met de invoering in het arrest Al-Khawaja & Tahery van de regel dat het ontbreken van een goede reden moet leiden tot een schending van het ondervragingsrecht, ongeacht het gewicht van de getuigenverklaring.
Algemeen
In het arrest Al-Khawaja & Tahery overwoog het ehrm dat als eerste moet worden onderzocht of een goede reden heeft bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid, ‘before any consideration is given as to whether that evidence was sole or decisive’.1 Hieruit lijkt te mogen worden afgeleid dat het gewicht van de getuigenverklaring in het geheel niet van belang is bij de beoordeling van de goede reden. In deze paragraaf zal worden onderzocht of uit de beoordeling van concrete zaken kan worden afgeleid of het gewicht van de getuigenverklaring daadwerkelijk geheel los staat van de vraag of een goede reden heeft bestaan.
Vóór Al-Khawaja & Tahery
In de jurisprudentie van vóór Al-Khawaja & Tahery kunnen aanwijzingen worden gevonden dat de inspanningsverplichting van de overheid afneemt naarmate het belang van de getuigenverklaring kleiner wordt. In de zaak Trier overwoog de ecrm dat de getuigenverklaringen in kwestie ‘were of little relevance having regard to the other evidence produced and that, therefore, it would amount to a disproportionate inconvenience and expense to hear her personally instead of reading out her statements made to the police’.2 Deze opvatting is voortgezet in latere beoordelingen door het ehrm. In zijn beslissing in de zaak Kopecký overwoog het ehrm: ‘The Court has also had regard to its rulings, in a series of cases concerning reliance on witness testimony which was not adduced before the trial court, that Article 6 § 3 (d) of the Convention only required the opportunity to crossexamine such witnesses in situations where this testimony played a main or decisive role in securing the conviction’.3 In enkele gevallen overwoog het ehrm expliciet dat de nalatigheid van de autoriteiten geen consequentie hoefde te hebben omdat de getuigenverklaring van niet-beslissende betekenis was.4
Ook uit andere uitspraken lijkt een communicerende werking tussen het gewicht van de getuigenverklaring en de vraag of een goede reden heeft bestaan te mogen worden afgeleid.5 In de zaken Pacula en Zhoglo, waarin het ehrm geen genoegen nam met het enkele feit dat de getuigen ziek waren, waren de getuigenverklaringen van beslissende betekenis.6 In alle andere zaken waarin zieke getuigen niet konden worden ondervraagd, rekende het ehrm dat de autoriteiten niet aan, hoewel deze zich in die zaken niet méér hadden ingespannen.7 In geen van die andere zaken was de desbetreffende getuigenverklaring van doorslaggevende betekenis.8 Ook ten aanzien van de vraag of een bevel tot medebrenging had moeten worden uitgebracht lijkt het gewicht van de getuigenverklaring doorslaggevend te zijn geweest. In de zaak Kuvikas was de zitting herhaaldelijk aangehouden, met het oog op de verschijning van de getuige. Toen deze uiteindelijk niet was verschenen, had de rechter de zaak beslist zonder dat de verdediging enige ondervragingsgelegenheid had gehad. Het ehrm meende dat de nationale rechters alle redelijkerwijs te verwachten inspanningen hadden geleverd om een getuigenverhoor te organiseren.9 In de zaak Caka deed dezelfde omstandigheid zich voor. In die zaak was het ehrm er echter niet van overtuigd dat de rechters zich voldoende hadden ingezet.10 Er had vermoedelijk een bevel tot medebrenging moeten worden uitgebracht. Het doorslaggevende verschil tussen deze twee zaken lijkt te zijn dat in de zaak Kuvikas de getuigenverklaringen niet van beslissende betekenis waren en in de zaak Caka wel.
Sinds Al-Khawaja & Tahery
Hoewel het ehrm in Al-Khawaja & Tahery aangaf dat de gerechtvaardigdheid van de beperking van het ondervragingsrecht moet worden onderzocht voordat mag worden beoordeeld of de getuigenverklaring van beslissende betekenis is, wordt deze regel in de jurisprudentie van ná Al-Khawaja & Tahery lang niet altijd toegepast. Dikwijls heeft het ehrm juist eerst het belang van de getuigenverklaring vastgesteld en pas daarna onderzocht of een goede reden bestond voor de niet-ondervraging.11 De zo stellig geformuleerde beslisvolgorde wordt dus lang niet altijd toegepast. Het ehrm heeft ook uitspraken gedaan waarin wel als eerste de goede reden werd onderzocht. In een aantal gevallen overwoog het daarbij, voorafgaand aan de beoordeling van de goede reden, dat de veroordeling onder andere was gebaseerd op de verklaring van de niet door de verdediging ondervraagde getuige. Pas nadat was vastgesteld dat een goede reden had bestaan, onderzocht het ehrm of de verklaring van beslissende betekenis was.12 Hieruit lijkt te mogen worden afgeleid dat de verklaring in ieder geval voor het bewijs moet zijn gebruikt, wil het ondervragingsrecht geschonden kunnen zijn vanwege het ontbreken van een goede reden.13 In de zaak Craciun bevestigde het ehrm deze uitleg expliciet: omdat de getuigenverklaring niet voor het bewijs was gebruikt, was het ondervragingsrecht niet geschonden.14
In de zaken waarin het ehrm het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid niet gerechtvaardigd achtte, was de getuigenverklaring steeds van grote betekenis, ook wanneer het ehrm die betekenis niet determineerde als ‘beslissend’. In een aantal arresten lijkt de beslissendheid van de getuigenverklaring een relevante factor te zijn geweest bij de beoordeling van de goede reden. In de zaak Pichugin overwoog het ehrm: ‘given the importance of the evidence given by Mr K., it was essential that his credibility should be open to testing by cross-examination.’15 In de zaak Salikhov kondigde het ehrm – geheel volgens het beslismodel van Al-Khawaja & Tahery – aan dat als eerste zou worden onderzocht of een goede reden had bestaan, vervolgens of de verklaring beslissend was en als derde of voldoende compensatie was geboden. Meteen daarna ging het ehrm echter over tot de beoordeling van de beslissendheid van de verklaring, om pas als laatste de goede reden te onderzoeken. Het overwoog onder andere: ‘the Court finds that the finding of the non-consensual nature of the intercourse rested, to a decisive extent, on Ms K.’s pre-trial depositions, and that in order to receive a fair trial the applicant should have had an opportunity to examine her in open court.’16 Mogelijk had het ehrm het ondervragingsrecht niet geschonden geacht wanneer de getuigenverklaring minder beslissend zou zijn geweest. Dat was het geval in de zaak Matytsina. In deze zaak overwoog het ehrm dat een goede reden had bestaan om een getuige niet op te roepen, in het bijzonder omdat de verklaring van deze getuige niet van beslissende betekenis was.17
In de zaken Stănculescu & Chiţac overwoog het ehrm dat de getuigenverklaringen niet van beslissende betekenis waren en stelde het vast het ondervragingsrecht niet was geschonden, zonder te onderzoeken of een goede reden bestond voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid.18 Mogelijk waren de rechters die deze zaak beoordeelden van oordeel dat het niet-beslissend zijn van de getuigenverklaring een goede reden opleverde om het getuigenverzoek af te wijzen.19 In de zaak Niculescu stelde het ehrm – zonder te hebben onderzocht of het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid gerechtvaardigd was – expliciet vast dat het ondervragingsrecht niet was geschonden omdat de getuigenverklaring geen belangrijke rol hadden gespeeld.20
Het gewicht van de getuigenverklaring lijkt in de hier genoemde zaken van belang te zijn geweest voor de beoordeling van de inspanningsverplichting van de overheid.21 Mogelijk is het ehrm van opvatting dat een getuigenverklaring wel voldoende belangrijk moet zijn – maar niet beslissend hoeft te zijn – om een schending van het ondervragingsrecht te kunnen aannemen vanwege het ontbreken van een goede reden. Deze opvatting zou de jurisprudentie er niet overzichtelijker op maken. In dat geval zouden immers nog meer gradaties van belangrijkheid worden toegepast dan reeds het geval is. Een getuigenverklaring kan onbelangrijk zijn, belangrijk zijn, niet-beslissend zijn, wél beslissend zijn en het enige bewijsmiddel opleveren.22 Aangezien het al buitengewoon lastig is om vast te stellen of een getuigenverklaring al dan niet van beslissende betekenis is, zou deze mogelijke opvatting van het ehrm praktische toepassingsproblemen veroorzaken. Immers, aan de hand van welke regels en uitgangspunten kan worden vastgesteld dat een getuigenverklaring wél belangrijk, maar van niet beslissende betekenis is?
Eigen opvatting
Het uitgangspunt van het arrest Khodorkovskiy & Lebedev is dat een getuige moeten worden opgeroepen, tenzij de ondervraging van deze getuige niet relevant is.23 Voor zover de ondervraging van een getuige relevant is, bestaat meer aanleiding voor oproeping naarmate de getuige belangrijker is. In het arrest Papadakis overwoog het ehrm daaromtrent: ‘The Court recalls that the need for confrontation is all the greater when evidence, which in certain respects amounts to hearsay (...), is decisive against the defendant’.24 Het beschouwen van de goede reden tegen de achtergrond van het belang van de getuigenverklaring komt mij heel redelijk voor. Het recht op een eerlijk proces mag niet zo ruim worden geïnterpreteerd dat de overheid er alles aan moet doen om zelfs onbelangrijke getuigen25 succesvol te laten ondervragen door de verdediging.26 De beeldspraak van de communicerende vaten spreekt mij dan ook aan: naarmate een getuigenverklaring belangrijker is, neemt de inspanningsverplichting van de overheid toe. Bij een beslissende getuigenverklaring is het risico op een gerechtelijke dwaling bij nietondervraging van de getuige groter dan bij een minder belangrijke verklaring. Het belang van de verdediging om de getuige te ondervragen wordt daarom groter naarmate het gewicht van de getuigenverklaring toeneemt.