Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.7.1
3.7.1 Inleiding
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950363:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/274 (“Het criterium voor de bevoegdheid tot opschorting is of tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om de opschorting te rechtvaardigen.”); Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017/356 onderdeel c (‘de kern van het opschortingsrecht’); Hesselink 1999, p 300, die connexiteit voor zowel het Nederlandse als Duitse recht ‘het bepalende criterium’ noemt, en Clerx 1983, p. 427 (“Samenhang is de basis voor alle opschortingsrechten.”).
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/41. Zie ook § 2.4.
Voor opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW dient tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang te bestaan om deze opschorting te rechtvaardigen. Dit samenhangcriterium vormt het centrale vereiste van het algemene opschortingsrecht.1 Het opschortingsverweer vindt uiteindelijk in dat criterium zijn grond.2 In deze paragraaf zet ik uiteen wat ik denk dat met dit criterium wordt bedoeld en wat ik denk dat de beoordelingsmaatstaf daarvan is. Veelal wordt bij de interpretatie van het samenhangcriterium onderscheid gemaakt tussen een vereiste van ‘voldoende samenhang’ en een vereiste ‘om deze opschorting te rechtvaardigen’. Deze interpretatie van het samenhangcriterium is mede ingegeven door de beoordelingsmaatstaf die de Hoge Raad in het arrest Theunissen/Verstappen heeft geformuleerd (§ 3.7.2). Tegen die interpretatie heb ik een aantal bezwaren. Ik denk dat die interpretatie niet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Ook heb ik tegen die interpretatie bezwaren van meer praktische aard, die zich met name richten tegen de – zogenoemde – abstracte toetsing van het vereiste van ‘voldoende samenhang’ (§ 3.7.3). Mijns inziens dient binnen het samenhangcriterium geen onderscheid gemaakt te worden tussen de genoemde vereisten, omdat zij geen zelfstandig te beoordelen vereisten vormen. Ik denk dat het bestaan van voldoende samenhang om deze opschorting te rechtvaardigen een conclusie is die volgt op een boordeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. In de terminologie van artikel 6:52 lid 1 BW bepalen de redelijkheid en billijkheid de mate van samenhang die voldoende moet zijn om opschorting in het concrete geval te rechtvaardigen (§ 3.7.4).