Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.4.4
2.4.4 Dwangsom en zekerheidsstelling
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS956969:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0872, NJ 1993/624, m.nt. A.H.J. Swart (Ebagua/Staat), rov. 3.4. Zie Verkade 2002, p. 21.
HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1530, NJ 2019/391, JIN 2019/180, m.nt. R.A.G. de Vaan, JBPr 2020/3, m.nt. A.W. Jongbloed (Sargasso c.s./Control Seal), rov. 4.2.2.
Zie echter Hof Amsterdam 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:395, AMI 2018/14, m.nt. J.J.C. Kabel (Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting), rov. 3.11.2 (toewijzing tentoonstellingsverbod zonder dwangsom).
HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:987, JBPr 2022/3, m.nt. D.M. de Knijff (Ritzenhoff/X), rov. 3.5.
HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5892, NJ 2004/291, m.nt. H.J. Snijders (De Jong/Lasschuit q.q.). De gedaagde zal het bestaan van zulke risico’s deugdelijk moeten onderbouwen: HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400, NJ 1994/591 (Korver/Stichting Ziekenhuis de Heel), rov. 3.3-3.4; HR 5 januari 1996 ECLI:NL:HR:1996:ZD0429, NJ 1996/334 (L/T), rov. 3.
Contreras & Husovec 2022, p. 320. Zie LG Mannheim 18 augustus 2020, 2 O 34/19 (Nokia/Daimler), waarin het Landsgericht de zekerheid bepaalde op niet minder dan 7 miljard euro.
De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden en de duur en de hoogte ervan te beperken of te maximeren (art. 611b Rv).1 De rechter dient de hoogte van de dwangsom vast te stellen naar de aard en omstandigheden van het geval, in het bijzonder ook de financiële toestand en het gedrag van de inbreukmaker. Tot de omstandigheden van het geval kunnen ook de feitelijke gevolgen behoren die voor de inbreukmaker voortvloeien uit het daadwerkelijk verbeuren van dwangsommen.2
De rechter moet over het algemeen terughoudend zijn met het achterwege laten van een dwangsom, omdat het verbod zonder dit executiemiddel zijn effectiviteit verliest.3 Wel kan de rechter kiezen voor een middenweg door aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak een voorwaarde tot zekerheidsstelling te verbinden (art. 233 lid 3 Rv). Aan een dergelijke veroordeling kan geen dwangsom worden gekoppeld.4 Deze beslissing is afhankelijk van een belangenafweging, waarin onder meer het restitutierisico en de schadelijke gevolgen van onmiddellijke tenuitvoerlegging kunnen worden meegenomen.5 Een hoge zekerheidsstelling kan in de praktijk een vergelijkbaar effect hebben als een schorsing van de tenuitvoerlegging.6