Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/8.5.6
8.5.6 Onmiddellijke voorziening na uitvoering van de overeenkomst
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196879:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 16 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2325, ARO 2013/124 (Holding Erstad). Holding wilde haar twee dochtervennootschappen verkopen aan Pelzhuis, een koper die was gelieerd aan haar aandeelhouders Pelzers en Diephuis. De derde aandeelhouder, Benu, maakte bezwaar en dat resulteerde in een (schikkings-)overeenkomst: Pelzers en Diephuis zouden de aandelen van Benu in Holding na waardering kopen. Voordat de waardering plaatsvond, verkocht en leverde Holding de dochters aan Pelzhuis. De Ondernemingskamer overwoog (r.o. 3.10) dat niet zeker is of Pelzers en Diephuis de nog vast te stellen prijs van de aandelen Holding aan Benu zouden kunnen betalen. Zo niet, dan zou Benu aandeelhouder blijven van Holding, waar het belangrijkste actief, de dochters, inmiddels uit zou zijn.
Een ingreep in dat stadium is een zeldzaamheid binnen een toch al uitzonderlijke categorie voorzieningen; zie 4.8. Minder vergaand in dit opzicht is de beschikking in de zaak Slotervaartziekenhuis (OK 11 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4525, ARO 2014/5). Er was al wel een koopovereenkomst tot stand gekomen, maar nog niet geleverd. De Ondernemingskamer effende door middel van een onmiddellijke voorziening de weg voor de OK-bestuurder om de overeenkomst te ontbinden (hetgeen de bestuurder overigens niet heeft gedaan).
Een aanwijzing in het dictum in de vorm van een bevel aan het bestuur om iets te doen is uitzonderlijk. Het bevel is geformuleerd als een inspanningsverplichting (“al het nodige te doen”).
OK 16 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2325, ARO 2013/124 (Holding Erstad), r.o. 3.12. Zonder die toezegging was de voorziening naar mijn overtuiging niet in deze vorm gegoten. Want zonder de toegezegde medewerking zou ‘het nodige doen om de overdracht van de aandelen ongedaan te maken’ geen adequate maatregel zijn. De aanwijzing zou dan niet meer kunnen betekenen dan ‘aan de nieuwe aandeelhouder vriendelijk vragen of hij wil terugdraaien’ of ‘onderzoeken of een vordering tot terug levering mogelijk is’. Bij de toezegging in de zaak Holding Erstad heeft vermoedelijk een rol gespeeld dat de koper gelieerd was aan aandeelhouders/bestuurders van de vennootschap. Een echte buitenstaander was de koper in die zin niet.
Zulke bevelen vallen buiten de bevoegdheid van de Ondernemingskamer.
[303] De onmiddellijke voorziening bij Holding Erstad Den Heijhof B.V. riep geen met een verbintenis uit een overeenkomst strijdige verplichting in het leven.1 Toch wordt zij hier genoemd om de objectieve norm in te kaderen. De voorziening werd getroffen toen de besluitvorming over verkoop van de aandelen in dochtervennootschappen was voltooid, de overeenkomst tot stand was gekomen, en zelfs al aan de leveringsverplichting was voldaan.2 De Ondernemingskamer schorste het besluit tot verkoop van de aandelen en gelastte het bestuur van de vennootschap – dat bij wijze van voorziening werd aangevuld met een extra bestuurder, wiens instemming nodig was voor besluiten – het nodige te doen om de overdracht van de aandelen ongedaan te maken.3 Deze onmiddellijke voorziening raakte de overeenkomst niet rechtstreeks; zij had slechts tot gevolg dat nakoming zou kunnen worden teruggedraaid. Bijzonderheden in deze casus waren, dat twee aandeelhouders van de vennootschap indirect bestuurder van de koper waren en dat zij ter zitting hadden toegezegd te zullen meewerken aan terug levering van de aandelen.4
Een voltooide levering van aandelen kan de Ondernemingskamer niet terugschroeven. Evenmin kan zij degene aan wie geleverd is met een onmiddellijke voorziening verplichten tot medewerking aan terug levering. Net zomin kan ze een koper van aandelen – of van andere zaken – opdragen mee te werken aan ongedaan making van de koop.5 Vennootschappen en hun contractpartners hoeven daarom geen rekening te houden met voorzieningen die voltooide leveringen aantasten. Een objectieve norm, die een zorgvuldig schuldenaar noopt zulke voorzieningen te vermijden, kan dan ook niet worden aangenomen.